Statistisch onderzoek begint niet bij getallen, maar bij een goede vraag en een goed ontwerp. Je leert een probleemstelling omzetten in een onderzoeksvraag met meetbare variabelen, het verschil tussen populatie en steekproef en wat een steekproef representatief maakt, de soorten variabelen en meetniveaus (nominaal, ordinaal, interval, ratio), en de bronnen van vertekening waarmee je betrouwbaarheid en validiteit van een onderzoek beoordeelt. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (subdomein E1).
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Het opzetten en beoordelen van statistisch onderzoek (subdomein E1) is centraal-examenstof en vormt de basis van het grote statistiekblok van wiskunde C.
verhoogd niveau
Verdieping: het kritisch beoordelen van een onderzoeksopzet op vertekening, betrouwbaarheid en validiteit scherpt het statistisch redeneren aan.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De statistische onderzoekscyclus
Een gemeente wil weten of inwoners tevreden zijn over het openbaar vervoer. (a) Waarom is « zijn de inwoners tevreden? » nog geen goede onderzoeksvraag? (b) Formuleer een aangescherpte onderzoeksvraag. (c) Noem de variabele die je meet en hoe je die meetbaar maakt.
« Tevreden » is niet gedefinieerd, en het is onduidelijk over welke inwoners, welk vervoer en welke periode het gaat: onmeetbaar.
Bijvoorbeeld: « Welk percentage van de inwoners van jaar en ouder geeft het busvervoer in een rapportcijfer van of hoger? »
De variabele is « tevredenheid over het busvervoer », gemeten als een rapportcijfer van t/m via een enquête.
Resultaat: (a) de vraag is te vaag en onmeetbaar; (b) een concrete vraag met groep, grootheid en periode; (c) tevredenheid als rapportcijfer, gemeten met een enquête.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een school vermoedt dat leerlingen die ontbijten betere cijfers halen. Formuleer een meetbare onderzoeksvraag, benoem de variabelen en leg uit waarom een gevonden verband nog geen bewijs is dat ontbijten de cijfers verhoogt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Steekproefmethoden
Een school (met onderbouw- en bovenbouwleerlingen) wil de mening over de kantine peilen onder leerlingen. (a) Waarom is « de eerste leerlingen bij de kantine-ingang » geen goede steekproef? (b) Ontwerp een gestratificeerde steekproef. (c) Hoeveel onder- en bovenbouwleerlingen neem je dan?
Leerlingen bij de kantine-ingang zijn juist de kantinegebruikers: die groep is oververtegenwoordigd, dus niet representatief.
Verdeel de leerlingen in onderbouw en bovenbouw en trek uit elke groep aselect, evenredig met de grootte.
van is onderbouwleerlingen; van is bovenbouwleerlingen.
Resultaat: (a) de groep bij de ingang is niet representatief; (b) aselect trekken binnen onder- en bovenbouw; (c) onderbouw- en bovenbouwleerlingen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een gemeente peilt de mening over een nieuw park via een enquête op de gemeentewebsite. Leg uit welke groep hierdoor oververtegenwoordigd kan raken en beschrijf een betere, representatieve steekproefmethode.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 3 — De vier meetniveaus als ladder
De vier meetniveaus
Oplopend in informatie: nominaal (categorie), ordinaal (volgorde), interval (gelijke afstanden), ratio (absoluut nulpunt).
Bepaal soort en meetniveau van: (a) het rugnummer van een voetballer; (b) de eindpositie (e, e, e) in een wedstrijd; (c) de temperatuur in °C; (d) het aantal broers en zussen.
Een label zonder rekenkundige betekenis (nummer is niet « meer » dan nummer ): kwalitatief, nominaal niveau.
Er is een volgorde, maar de afstanden zijn niet gelijk: ordinaal niveau.
Gelijke afstanden, maar geen absoluut nulpunt (C is niet « geen warmte »): interval niveau.
Een telling met een absoluut nulpunt ( betekent geen): kwantitatief, discreet, rationiveau.
Resultaat: (a) nominaal; (b) ordinaal; (c) interval; (d) ratio (discreet).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal soort en meetniveau van: het jaartal van geboorte, de schoenmaat, de kleur van een auto, en de reistijd in minuten. Geef bij elke variabele aan of het gemiddelde zinvol is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Afb. 4 — Betrouwbaarheid en validiteit als schietschijf
Betrouwbaarheid vs validiteit
Twee onafhankelijke kwaliteitseisen: reproduceerbaarheid en het meten van het juiste begrip.
Een tv-programma peilt de mening via een sms-stemlijn (betaald), waarop vooral fanatieke kijkers reageren. (a) Welke vertekening speelt hier? (b) Is een weegschaal die altijd kg te veel aanwijst betrouwbaar? En valide? (c) Hoe verhelp je de fout van die weegschaal?
Alleen wie sterk gemotiveerd is (en wil betalen) stemt: selectie- en zelfselectievertekening — niet representatief.
Hij geeft steeds hetzelfde bij hetzelfde gewicht (consistent), dus betrouwbaar; maar hij zit er systematisch kg naast, dus niet valide.
Trek van elke meting kg af (of ijk de weegschaal opnieuw op ); zo maak je de betrouwbare meting ook valide.
Resultaat: (a) selectie-/zelfselectievertekening; (b) betrouwbaar maar niet valide (systematisch kg te hoog); (c) kg aftrekken of opnieuw ijken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een enquête over gezond eten wordt afgenomen bij de uitgang van een sportschool. Benoem de vertekening. Beoordeel daarna of een thermometer die altijd C te laag meet betrouwbaar en/of valide is, en hoe je dat verhelpt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein E: Statistiek en kansrekening (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen