Dit onderwerp gaat over het meten aan vlakke figuren en lichamen. Je berekent oppervlakte en omtrek van vlakke figuren en inhoud en oppervlakte van lichamen (balk, prisma, cilinder, piramide, kegel, bol). Daarnaast leer je werken met gelijkvormigheid en de vergrotingsfactor (schaalfactor), en met de belangrijke regel dat een vergroting met factor k de lengte met k, de oppervlakte met k² en de inhoud met k³ vermenigvuldigt. Dit onderwerp hoort tot de centraal-examenstof (domein G).
4 Onderdelen~16 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Oppervlakte, inhoud en gelijkvormigheid zijn centraal-examenstof (domein G) van wiskunde C.
verhoogd niveau
Verdieping: de k, k², k³-regel en het rekenen met schaal verbinden meetkunde met verhoudingen en met realistische toepassingen (maquettes, kaarten, verpakkingen).
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Driehoek met basis en hoogte
Rechthoek
Oppervlakte is lengte maal breedte; omtrek is tweemaal de som van lengte en breedte.
Driehoek
De hoogte is de loodrechte afstand van de basis tot de overstaande hoek.
Cirkel
Met straal r (niet de diameter d = 2r).
Een tuin bestaat uit een rechthoek van m bij m met daaraan vast een halve cirkel met diameter m (op de korte zijde). (a) Bereken de oppervlakte van de rechthoek. (b) Bereken de oppervlakte van de halve cirkel. (c) Wat is de totale oppervlakte?
m².
Diameter m, dus straal m. Halve cirkel: m².
Tel de deeloppervlakten op: m².
Resultaat: (a) m²; (b) ongeveer m²; (c) totaal ongeveer m².
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereken de omtrek en de oppervlakte van een cirkel met diameter cm. Bereken daarna de oppervlakte van een figuur die bestaat uit een vierkant van cm met in het midden een uitgesneden cirkel van straal cm.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein G: Vorm en ruimte (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Balk voor de inhoud V = l·b·h
Afb. 3 — Cilinder, kegel en bol met hun inhoudsformules
Inhoud bij constante doorsnede
Grondvlak maal hoogte. Voor de cilinder is G = πr², dus V = πr²h.
Inhoud spits toelopend
Een derde van het bijbehorende prisma of de cilinder. Kegel: V = ⅓πr²h.
Bol
Aparte formules voor inhoud en oppervlakte van een bol.
Een cilindervormig blik heeft straal cm en hoogte cm. (a) Bereken de inhoud. (b) Bereken de inhoud van een kegel met dezelfde straal en hoogte. (c) Hoeveel liter is de inhoud van het blik?
cm³.
Een derde van de cilinder: cm³.
liter cm³, dus cm³ liter.
Resultaat: (a) ongeveer cm³; (b) ongeveer cm³; (c) ongeveer liter.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bol heeft straal cm. Bereken de inhoud en de oppervlakte. Bereken daarna de inhoud van een piramide met een vierkant grondvlak van bij cm en hoogte cm.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein G: Vorm en ruimte (CvTE / DUO)
Afb. 4 — Twee gelijkvormige driehoeken
Vergrotingsfactor (schaalfactor)
Alle overeenkomstige lengtes van gelijkvormige figuren staan in dezelfde verhouding k.
Een boom werpt een schaduw van m. Tegelijk werpt een stok van m een schaduw van m. (a) Waarom zijn de twee driehoeken (boom + schaduw, stok + schaduw) gelijkvormig? (b) Bepaal de vergrotingsfactor. (c) Bereken de hoogte van de boom.
De zon schijnt onder dezelfde hoek, en beide objecten staan loodrecht op de grond: twee gelijke hoeken, dus de driehoeken zijn gelijkvormig.
De schaduw van de boom is m, die van de stok m, dus .
De boom is keer zo hoog als de stok: m.
Resultaat: (a) gelijke zonshoek en beide loodrecht, dus gelijkvormig; (b) ; (c) de boom is m hoog.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee gelijkvormige driehoeken hebben een vergrotingsfactor . De kleinste zijde van de kleine driehoek is cm. Hoe lang is de overeenkomstige zijde van de grote driehoek? En als een zijde van de grote cm is, hoe lang is de overeenkomstige zijde van de kleine?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein G: Vorm en ruimte (CvTE / DUO)
Afb. 5 — Vergroting met factor k = 2
De k, k², k³-regel
Bij een vergroting met lengtefactor k schalen lengte, oppervlakte en inhoud met k, k² en k³.
Een maquette van een gebouw is gemaakt op schaal . (a) Wat is de lengtefactor van werkelijkheid naar maquette? (b) Een muur is in werkelijkheid m² groot; hoe groot is die op de maquette? (c) Het echte gebouw heeft een inhoud van m³; welke inhoud heeft de maquette?
Van werkelijkheid naar maquette verklein je met factor , dus (of: je deelt lengtes door ).
Oppervlakte schaalt met . Dus m² cm² cm², gedeeld door geeft cm².
Inhoud schaalt met . Dus m³ gedeeld door geeft m³ liter.
Resultaat: (a) lengtes delen door ; (b) de muur is cm² op de maquette; (c) de maquette heeft een inhoud van m³ (= liter).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een foto wordt vergroot met lengtefactor . Met welke factor neemt de oppervlakte toe? Een bol wordt keer zo groot in straal; met welke factor neemt de inhoud toe? Reken ten slotte uit welke werkelijke oppervlakte hoort bij cm² op een kaart met schaal .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — syllabus wiskunde C (VWO), domein G: Vorm en ruimte (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen