Dit onderwerp hoort bij het schoolexamen (SE) en behandelt het technische hart van de textiele praktijk: hoe je textiel maakt en kleurt. Je leert de grondbeginselen van het weven (schering en inslag) en de drie grondbindingen (platbinding, keper, satijn), de belangrijkste vlak- en draadtechnieken (vilten, breien, borduren, macramé, applicatie), en de manieren om textiel te kleuren: verven, reservetechnieken als batik en shibori, en zeefdruk. Ten slotte leer je vezels en materialen kiezen op grond van hun eigenschappen. Deze technieken zijn SE-stof, geen CE-stof, maar de beeldaspecten (kleur, structuur, patroon, materiaal) die je hier leert beheersen, komen op het CE terug in de analyse.
3 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2
basisniveau
Voor iedereen: de grondbindingen en de belangrijkste vlak-, draad- en kleurtechnieken kennen en correct uitvoeren. Dit is SE-stof, geen CE-stof.
verhoogd niveau
Verdieping: techniek, binding en materiaal bewust combineren en op een beeldend probleem afstemmen, en de keuzes onderbouwen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De drie grondbindingen als raster
Je wilt een glanzend, soepel vallend sjaaltje weven waarin een diepe, verzadigde kleur maximaal tot zijn recht komt. Welke binding kies je en waarom?
Glans en een soepele val zijn gewenst, en de kleur moet verzadigd ogen.
Platbinding is stevig maar mat en stug; keper is soepel maar diagonaal gestructureerd; satijn is glad en glanzend.
Satijnbinding: de lange draadsprongen geven een glad, glanzend oppervlak dat het licht egaal weerkaatst en de kleur verzadigd laat spreken.
Combineer de satijnbinding met een glanzend garen (zijde of viscose) en houd rekening met de kwetsbaarheid van de lange sprongen.
Resultaat: Voor glans, soepele val en verzadigde kleur is de satijnbinding (met glanzend garen) de juiste keuze; de lange draadsprongen maken het oppervlak glad en lichtweerkaatsend.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken de drie grondbindingen op ruitjespapier (een gevuld hokje = kettingdraad boven), zoals in Afb. 1. Weef daarna een klein proeflapje in elke binding en beschrijf per binding het verschil in structuur, val en glans.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — textiele technieken: weven (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Textiele vlak- en draadtechnieken
Je wilt een zacht, warm, naadloos hol object maken met ronde, vrije vormen en een dichte, enigszins ruwe structuur. Welke techniek past het best?
Naadloos hol, vrije ronde vormen, dicht en warm, ruwe structuur.
Weven en breien maken vlakken die je moet samenvoegen; macramé is open; borduren werkt op een grond.
Vilten: door wolvezels rond een vorm te verwarren kun je een naadloos, hol, dicht object met ronde vormen maken.
De dichte, warme, ruwe viltstructuur past bij de gewenste uitstraling, en vilt laat vrije, naadloze vormgeving toe.
Resultaat: Vilten is de juiste keuze: het maakt naadloze, vrije, holle vormen met een dichte, warme structuur — precies wat het idee vraagt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een klein beeldend idee (bijvoorbeeld een reliëfrijk wandobject) en bepaal met behulp van Afb. 2 welke techniek(en) er het best bij passen. Voer een proefje uit en verantwoord hoe de structuur van de gekozen techniek bijdraagt aan het effect.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — textiele technieken: vlak en draad (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Het reserveprincipe (batik en shibori)
Vezels en hun eigenschappen
Je bindt een katoenen lap op verschillende plekken strak af met touw, dompelt hem in een blauw verfbad en maakt hem daarna los. Er verschijnen grillige lichte cirkels en lijnen. Verklaar het resultaat en benoem de techniek.
Het afbinden vóór het verven is een reservetechniek: shibori (bind-reserve).
Waar het touw de stof strak samenperst, kan de verf niet doordringen; die plekken blijven licht.
De grillige lichte cirkels en lijnen komen precies overeen met de plekken waar de stof gebonden en geplooid was.
Het patroon ontstaat door wat je afdekt (bindt), niet door wat je aanbrengt — het omgekeerde van drukken.
Resultaat: Het is shibori: de lichte, grillige patronen zijn de gereserveerde (afgebonden) delen die de blauwe verf niet opnamen — het reserveprincipe in werking.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Voer een reserveproef uit: dek met was (batik) of door binden (shibori) delen van een katoenen lapje af, verf het en bekijk het resultaat (Afb. 3). Beschrijf welk patroon ontstond en verklaar dat vanuit het reserveprincipe; noteer welke vezel je koos en waarom (Afb. 4).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken vwo — kleur op textiel en vezels (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)