Turnen omvat springen, steunen en zwaaien, balanceren, rollen en salto's en acrobatiek. Je leert elke beweging in bewegingsfasen ontleden (aanloop, afzet, zweeffase, landing), technisch en veilig uitvoeren met correcte hulpverlening, en de kwaliteit van je turnen verbeteren via een bewegingsanalyse. Kernbegrippen zijn lichaamsspanning, zwaartepunt en steunvlak.
4 Onderdelen~16 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
In LO gaat het om veilig turnen, correct hulpverlenen en het uitvoeren van elementen op je eigen niveau.
verhoogd niveau
Binnen BSM maak je een uitgewerkte bewegingsanalyse van een turnelement en onderbouw je de kritische kenmerken.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De bewegingsfasen van een sprong
Een leerling valt bij de handstand telkens voorover. Verklaar dit met de begrippen zwaartepunt en steunvlak en geef een aanwijzing.
Bij de handstand is het steunvlak het gebied tussen en onder de handen.
Voorover vallen betekent dat het zwaartepunt vóór het steunvlak (voorbij de handen) komt; je bent dan niet meer in evenwicht.
Duw actief door de schouders en corrigeer met de vingers (kracht in de vingertoppen) om het zwaartepunt terug boven de handen te brengen, en houd de kern gespannen zodat het lichaam een rechte lijn blijft.
Resultaat: Het voorovervallen ontstaat doordat het zwaartepunt buiten het steunvlak komt; door door de schouders te duwen, met de vingers te corrigeren en spanning te houden, breng je het zwaartepunt terug boven de handen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een turnelement dat je kent (bijvoorbeeld de koprol of de handstand) en verdeel het in bewegingsfasen. Benoem per fase één kernpunt en geef aan waar lichaamsspanning het belangrijkst is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Turnen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De baan van het zwaartepunt bij een sprong
Een leerling neemt een goede aanloop maar zet met een lange, platte afzet af en haalt de kast net niet. Verklaar het probleem met de bewegingsfasen en geef een verbeteradvies.
De aanloop is goed (voldoende snelheid), maar de afzet is lang en plat: er wordt weinig snelheid omgezet in hoogte.
Omdat de baan van het zwaartepunt na de afzet vastligt, bepaalt deze platte afzet een te lage baan; in de lucht is dat niet meer te herstellen.
Zet korter en krachtiger af met een volledige strekking van enkel-knie-heup en een actieve armzwaai omhoog, zodat meer snelheid in hoogte wordt omgezet en de baan hoger wordt.
Resultaat: De turner haalt de kast niet door een platte afzet die te weinig hoogte geeft; omdat de baan na de afzet vastligt, moet de correctie in de afzet zelf zitten: korter, krachtiger en met meer verticale strekking.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf bij een sprong over de kast wat er in elke fase moet gebeuren. Leg uit waarom een leerling die te kort afzet de kast niet goed haalt, en wat hij aan de afzet moet veranderen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: springen en bewegingsanalyse (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Turnonderdelen: kernpunt en hulpverlening
Een leerling durft de koprol voorover niet omdat hij bang is op zijn nek te komen. Beschrijf een veilige hulpverlening en opbouw.
Begin met een vooroefening (hurken, kin op de borst, ronde rug) op een dikke mat, eventueel vanaf een lichte helling zodat de rol vanzelf op gang komt.
Sta zijdelings naast de leerling; leg één hand in de nek om het hoofd naar de borst te geleiden en de andere onder de rug/heup om de rol te ondersteunen.
Begeleid juist in het begin van de rol (het inrollen), wanneer het gevaar op de nek terechtkomen het grootst is, en laat pas los als de leerling veilig over de rug rolt.
Resultaat: Door een goede opbouw (vooroefening, dikke mat, eventueel helling) en gerichte hulpverlening (hand in de nek, hand onder de rug, ingrijpen bij het inrollen) wordt de koprol veilig en overwint de leerling zijn angst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf hoe je hulpverleent bij een salto voorover op de minitrampoline: waar sta je, waar pak je vast, in welke fase grijp je in, en welke matopbouw gebruik je?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: veiligheid en hulpverlening (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Een turner maakt een salto voorover op de minitrampoline maar draait telkens net niet rond en landt op zijn knieën. Maak een bewegingsanalyse en geef een verbeteradvies.
Afzet – inzet rotatie – zweeffase – landing; op video zie je een krachtige afzet maar een pas laat en slechts half ingezette hurkhouding.
De rotatie wordt te laat en te weinig ingezet: door pas laat en niet strak genoeg te hurken, draait het lichaam te langzaam en is de salto niet rond voor de landing.
Oefen het snel en strak inzetten van de hurkhouding direct na de afzet (bijvoorbeeld met een gerichte instructie „knieën snel naar de borst”), eventueel met hulpverlening die de rotatie borgt en een dikke landingsmat.
Resultaat: De salto is te kort door een te late, te losse rotatie-inzet; het advies richt zich op het snel en strak inzetten van de hurkhouding direct na de afzet, veilig geoefend met hulpverlening en een dikke mat.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Maak een bewegingsanalyse van de radslag: verdeel hem in fasen, benoem per fase een kritisch kenmerk, beschrijf één veelgemaakte fout met de vermoedelijke oorzaak en kies er een gerichte oefening bij.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Turnen: bewegingsanalyse en verbeteren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)