Atletiek bestaat uit lopen (sprint, duurloop, horden), springen (ver, hoog) en werpen (o.a. kogel). Je leert de techniek per onderdeel, de fasen van een sprint en het snelheid-tijdverloop, de optimale afzethoek bij springen en werpen, en het verstandig verdelen van je inspanning (pacing). Meten, analyseren en verbeteren staan centraal.
4 Onderdelen~16 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
In LO gaat het om verantwoord en op je eigen niveau lopen, springen en werpen, en je prestatie meten.
verhoogd niveau
Binnen BSM reken en redeneer je met snelheid-tijddiagrammen, de afzethoek en pacing op examenniveau.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Onderdelen van atletiek
Twee leerlingen lopen de 60 m: leerling A in 8,9 s met stevige tegenwind, leerling B in 8,7 s met rugwind. Wie was de betere sprinter? Onderbouw je antwoord.
B is met 8,7 s sneller dan A met 8,9 s — op het oog is B beter.
A liep tegen de wind in (nadeel), B met de wind mee (voordeel); de wind beïnvloedt de tijd merkbaar.
De tijden zijn niet zomaar vergelijkbaar: onder gelijke omstandigheden zou A relatief beter kunnen zijn dan de kale tijd suggereert. Een eerlijke conclusie vereist gelijke condities of een windcorrectie.
Resultaat: Je kunt de twee tijden niet zonder meer vergelijken: A liep met tegenwind en B met rugwind, dus de omstandigheden vertekenen het beeld — prestaties interpreteer je altijd met de condities erbij.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Meet (in gedachten of echt) je tijd op een korte sprintafstand twee keer. Beschrijf de omstandigheden, bereken het gemiddelde en leg uit waarom je meer dan één meting doet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B (Atletiek) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De fasen van een sprint
Snelheid-tijddiagram van een sprint
Een leerling loopt de 100 m in 12,5 s. Bereken zijn gemiddelde snelheid en leg uit waarom zijn topsnelheid hoger ligt dan deze gemiddelde snelheid.
Gemiddelde snelheid = afstand ÷ tijd.
v = 100 m ÷ 12,5 s = 8,0 m/s.
In de eerste seconden is de snelheid nog laag (acceleratiefase); die trage start drukt het gemiddelde. De topsnelheid, bereikt na tientallen meters, ligt daardoor duidelijk boven de 8,0 m/s.
Resultaat: De gemiddelde snelheid is 8,0 m/s; de topsnelheid ligt hoger omdat de trage acceleratiefase het gemiddelde over de hele 100 m omlaag haalt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken globaal het snelheid-tijddiagram van een 100 m-sprint en markeer de acceleratiefase en de topsnelheid. Leg daarna uit waarom een 1500 m-loper juist een vlak tempoverloop nastreeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: lopen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Dracht als functie van de afzethoek
Dracht bij gelijke start- en landingshoogte
R is de horizontale afstand (dracht), v de beginsnelheid, θ de afzethoek en g de valversnelling (≈ 9,8 m/s²). sin(2θ) is maximaal (= 1) bij θ = 45°. Geldig onder de vereenvoudiging dat het voorwerp op dezelfde hoogte vertrekt en landt en zonder luchtweerstand.
Een kogel verlaat de hand met 10 m/s onder een hoek van 45° (op grondniveau, luchtweerstand verwaarloosd). Bereken de dracht. Neem g = 9,8 m/s².
Gebruik de drachtformule voor gelijke start- en landingshoogte.
v = 10 m/s, θ = 45°, dus sin(2·45°) = sin(90°) = 1; g = 9,8 m/s².
R = (10² · 1) ÷ 9,8 = 100 ÷ 9,8 ≈ 10,2 m.
Resultaat: De dracht is ongeveer 10,2 m. Merk op: dit is het maximum voor deze snelheid — bij elke andere hoek (bij dezelfde 10 m/s) komt de kogel minder ver.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met de drachtformule uit waarom een kogel die je onder 40° of onder 50° wegstoot (bij gelijke snelheid) even ver komt. Verklaar daarna waarom bij kogelstoten in de praktijk toch iets onder de 45° wordt gestoten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: springen en werpen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Pacing: gelijkmatig versus te snel gestart
Je wilt de 1000 m in 4 minuten (240 s) lopen. Bereken het benodigde gemiddelde tempo en beschrijf hoe je de tussentijden verdeelt voor een goede pacing.
240 s ÷ 1000 m = 0,24 s per meter, oftewel 240 s ÷ 10 = 24 s per 100 m; per 200 m is dat 48 s.
Streef naar vlakke tussentijden van ongeveer 48 s per 200 m in plaats van de eerste 200 m in 42 s (te snel) en de laatste in 55 s (ingezakt).
Loop de eerste helft licht gecontroleerd (iets boven 48 s per 200 m mag), zodat je op het einde nog een eindsprint over hebt (een lichte negatieve split).
Resultaat: Voor 4 minuten op de 1000 m loop je gemiddeld 24 s per 100 m (48 s per 200 m); met vlakke tussentijden en een klein reserve voor het einde voorkom je vroege verzuring en haal je de tijd het betrouwbaarst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Stel: je tussentijden op de 800 m lopen sterk op (elke 200 m word je duidelijk trager). Analyseer wat er misgaat en beschrijf een concreet aangepast pacingplan voor je volgende poging.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — Atletiek: analyseren en pacing (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)