Domein D is de trainingsleer van het vak: hoe bewegen je gezondheid en fitheid beïnvloedt en hoe je verantwoord traint. Je leert de fitheidscomponenten, belasting en belastbaarheid, de trainingsprincipes en supercompensatie, het opzetten van een training met FITT en hartslagzones, de energiesystemen (ATP-CP, anaeroob, aeroob), en blessurepreventie met eerste hulp (RICE) en een gezonde leefstijl.
5 Onderdelen~21 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
In LO pas je deze kennis toe op je eigen bewegen: verantwoord opbouwen, opwarmen en blessures voorkomen.
verhoogd niveau
Binnen BSM wordt de trainingsleer numeriek getoetst: je rekent met hartslagzones, ontwerpt trainingen met FITT en verklaart adaptatie met supercompensatie en de energiesystemen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De fitheidscomponenten
Een getrainde hardloper en een beginner doen dezelfde training: 5 km in 25 minuten. Leg met belasting en belastbaarheid uit waarom deze training voor de een verantwoord en voor de ander overbelastend kan zijn.
De belasting (5 km in 25 minuten) is voor beiden hetzelfde in absolute zin.
De getrainde loper heeft een hoge belastbaarheid: dit tempo is voor hem matig. De beginner heeft een lage belastbaarheid: hetzelfde tempo is voor hem zwaar.
Voor de loper past de belasting binnen zijn belastbaarheid (verantwoorde prikkel); voor de beginner overschrijdt de belasting zijn belastbaarheid, met kans op overbelasting en blessures.
Resultaat: Dezelfde absolute belasting is verantwoord voor wie een hoge belastbaarheid heeft en overbelastend voor wie een lage heeft — daarom stem je de belasting altijd af op de belastbaarheid van de persoon.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies drie sporten en benoem per sport welke fitheidscomponent het belangrijkst is. Leg daarna uit waarom dezelfde training voor een fitte en een ongetrainde persoon een heel andere belasting-belastbaarheidverhouding oplevert.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein D (Bewegen en gezondheid) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De cyclus van belasting en adaptatie
De supercompensatiecurve
De trainingsprincipes
Een leerling traint zeven dagen per week maximaal en wordt juist slechter in plaats van beter. Verklaar dit met supercompensatie en de trainingsprincipes.
Elke maximale training verlaagt de belastbaarheid en veroorzaakt vermoeidheid (de dip in de supercompensatiecurve).
Zonder rustdagen is er geen tijd voor herstel; de volgende prikkel komt telkens vóór het herstel (te vroeg), dus de vermoeidheid stapelt.
Het herstelprincipe wordt geschonden: er is geen supercompensatie, alleen ophopende vermoeidheid (overtraining), waardoor de prestaties dalen.
Resultaat: Zonder herstel bereikt de leerling nooit de supercompensatiefase; hij stapelt vermoeidheid in plaats van op te bouwen. De oplossing is voldoende rust tussen de prikkels (het herstelprincipe respecteren).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken de supercompensatiecurve en markeer het uitgangsniveau, de vermoeidheidsfase en de supercompensatie. Geef aan wanneer de volgende training het beste kan plaatsvinden en leg uit wat er gebeurt als je te vroeg of te laat traint.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: supercompensatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Twee schattingen van de maximale hartslag
Hartslag-/trainingszones
Schatting van de maximale hartslag
Een veelgebruikte schatting (naar Tanaka). De oudere vuistregel is HFmax ≈ 220 − leeftijd. Beide zijn schattingen; de werkelijke waarde verschilt per persoon.
Doelhartslag volgens Karvonen (%HRR)
HFrust is de rusthartslag, i de gewenste intensiteit als breuk (bijv. 0,70 voor 70%) en (HFmax − HFrust) de hartslagreserve (HRR). De formule geeft een op de persoon afgestemde doelhartslag.
Bereken voor een 16-jarige met een rusthartslag van 60 slagen/min de doelhartslag bij een intensiteit van 70%. Gebruik HFmax ≈ 208 − 0,7 × leeftijd.
HFmax ≈ 208 − 0,7 × 16 = 208 − 11,2 = 196,8 ≈ 197 slagen/min.
HRR = HFmax − HFrust = 197 − 60 = 137 slagen/min.
HFdoel = 60 + 0,70 × 137 = 60 + 95,9 = 155,9 ≈ 156 slagen/min.
Resultaat: De doelhartslag bij 70% intensiteit is ongeveer 156 slagen/min. Merk op dat dit een schatting is: de werkelijke HFmax (en dus de zone) kan per persoon afwijken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Ontwerp met FITT een duurtraining voor iemand die zijn uithoudingsvermogen wil verbeteren. Bereken daarna met de Karvonen-formule de doelhartslag bij 70% intensiteit voor een 17-jarige met een rusthartslag van 65 slagen per minuut.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: FITT en intensiteit (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De drie energiesystemen leveren ATP
De energiesystemen vergeleken
Bijdrage van anaeroob en aeroob over de tijd
Bepaal welk energiesysteem domineert bij (a) een kogelstoot, (b) een 400 meter sprint van ongeveer 55 seconden, en (c) een uur hardlopen. Verklaar telkens je antwoord.
De inspanning duurt minder dan 2 seconden en is maximaal explosief: het ATP-CP-systeem (alactisch) domineert.
Ongeveer 55 seconden maximale inspanning valt in het gebied 10 s – 2 min: de anaerobe glycolyse (melkzuursysteem) domineert — vandaar de sterke verzuring op het eind.
Een inspanning van een uur duurt veel langer dan enkele minuten en is matig van intensiteit: het aerobe systeem domineert.
Resultaat: De kogelstoot draait op het ATP-CP-systeem, de 400 meter op de anaerobe glycolyse (met verzuring), en het uur hardlopen op het aerobe systeem — de duur en intensiteit bepalen telkens het dominante systeem.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal voor drie inspanningen — een kogelstoot, een 400 meter sprint en een uur hardlopen — welk energiesysteem domineert, en verklaar je antwoord met de duur en intensiteit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — trainingsleer: energiesystemen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
RICE bij een acute blessure
Tijdens een basketbalwedstrijd verzwikt een medespeler zijn enkel; die zwelt op en doet pijn. Beschrijf stap voor stap wat je doet volgens RICE.
Laat de speler direct stoppen en de enkel niet belasten; haal hem van het veld.
Koel de enkel met ijs (in een doek, niet direct op de huid) gedurende 10 tot 20 minuten om de zwelling en pijn te remmen.
Leg een drukverband aan rond de enkel om de zwelling te beperken (niet te strak, de doorbloeding moet mogelijk blijven).
Leg de enkel omhoog (bijvoorbeeld op een stoel) om de bloedtoevoer en daarmee de zwelling te verminderen; bij aanhoudende of ernstige klachten medische hulp inschakelen.
Resultaat: Je past RICE toe: rust en niet belasten, koelen met ijs in een doek, een drukverband en de enkel omhoog — zo beperk je de zwelling en de schade in de eerste uren na de blessure.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf een goede warming-up voor een voetbaltraining en leg uit welke effecten ze heeft. Beschrijf daarna wat je doet volgens RICE als een medespeler zijn enkel verzwikt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — gezondheid: blessurepreventie en leefstijl (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)