In domein C leer je bewegen voor anderen mogelijk maken en begeleiden via vier regelrollen: instructeur/lesgever, coach, scheidsrechter/official en organisator. Je leert instrueren en coachen, arbitreren met gezag en fair play, en een activiteit of toernooi organiseren — inclusief het roosteren en het berekenen van het aantal wedstrijden.
4 Onderdelen~16 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
In LO vervul je de regelrollen tijdens de lessen: je leidt een oefenvorm, coacht, fluit of organiseert een onderdeel.
verhoogd niveau
Binnen BSM organiseer en begeleid je een grotere sportactiviteit en verantwoord je je keuzes als lesgever, coach, official of organisator.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De vier regelrollen
Je organiseert een klassikaal 3-tegen-3 basketbaltoernooi in één lesuur. Beschrijf hoe je in deze rol de verantwoordelijkheid voor veiligheid, verloop en sfeer invult.
Zorg voor voldoende ruimte tussen de veldjes, verwijder obstakels, laat een warming-up doen en stel duidelijke gedragsregels op (geen ruw contact).
Maak een strak wedstrijdschema met korte wedstrijden en vaste wisseltijden, zodat iedereen speelt en het toernooi binnen het lesuur past.
Meng de teams op niveau zodat het spannend blijft, benadruk sportiviteit en zorg dat winnen én meedoen leuk zijn.
Resultaat: Als organisator draag je de verantwoordelijkheid door vooraf veiligheid, een haalbaar schema en een goede sfeer te regelen — zo kan de klas veilig, vlot en met plezier spelen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een van de vier regelrollen en beschrijf hoe je die in een gymles zou vervullen. Benoem concreet hoe je zorgt voor de veiligheid, het verloop en de sfeer.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein C (Bewegen en regelen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Het instructiemodel
Je coacht een voetbalteam dat de bal wel rondspeelt maar nooit tot een kans komt. Beschrijf hoe je met de coachcyclus tot een bruikbare aanwijzing komt.
Je ziet dat het team veel breed en achteruit speelt, maar er nooit iemand vóór de bal richting het doel loopt.
Er is wel breedte maar geen diepte (domein B); zonder aanspeelpunt vóór de bal komt de aanval niet dichter bij het doel.
Geef een korte, positieve aanwijzing op het juiste moment: „loop de diepte in, geef een aanspeelpunt voor de bal” en eventueel een concrete speler die dieper moet gaan staan.
Resultaat: Via observeren en analyseren stel je vast dat diepte ontbreekt; de coachcyclus leidt tot een korte, gerichte aanwijzing die het team helpt de aanval doelgericht te maken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereid een korte instructie voor van een vaardigheid naar keuze (bijvoorbeeld de basketbal-lay-up). Beschrijf je uitleg, je demonstratie, de oefenvorm en één aanwijzing, en geef aan hoe je die aanpast voor een beginner versus een gevorderde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: instrueren en coachen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De werkwijze van een official
Bij een zaalvoetbalwedstrijd twijfel je of een duel een overtreding was. Hoe handel je dit af met oog voor consistentie en gezag?
Bepaal op basis van wat je écht zag of er contact was dat de regels overtreedt; laat je niet leiden door het protest van spelers.
Neem een duidelijke beslissing (wel of geen overtreding) en blijf erbij; twijfelen of terugkomen op je besluit ondermijnt je gezag.
Beoordeel eenzelfde duel later in de wedstrijd op dezelfde manier, ongeacht welk team het maakt, zodat spelers je beslissingen vertrouwen.
Resultaat: Je handelt het twijfelgeval af door te beslissen op wat je zag, beslist te blijven bij je keuze en gelijke situaties gelijk te behandelen — consistentie en gezag maken je beslissingen aanvaardbaar.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf voor een spel naar keuze hoe je als scheidsrechter een twijfelgeval afhandelt met de vier stappen (waarnemen, beoordelen, beslissen, communiceren). Geef daarna een voorbeeld van informele fair play die geen regel voorschrijft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: arbitrage en fair play (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Een afvalschema voor vier teams
Aantal wedstrijden in een halve competitie
Aantal wedstrijden in een halve competitie
m is het totale aantal wedstrijden en n het aantal teams; elk team speelt één keer tegen elk ander team. De formule volgt uit het aantal paren dat je uit n teams kunt kiezen.
Je organiseert een halve competitie voor 5 teams. Elke wedstrijd duurt 10 minuten en er zijn 2 velden beschikbaar. Bereken het aantal wedstrijden en de minimale speelduur.
m = n(n − 1)/2 = 5 · 4 / 2 = 10 wedstrijden.
Met 2 velden kunnen er 2 wedstrijden tegelijk: 10 ÷ 2 = 5 wedstrijdronden.
5 ronden × 10 minuten = 50 minuten pure speeltijd; met wisseltijd erbij reken je op ongeveer 60 minuten.
Resultaat: Bij 5 teams zijn er 10 wedstrijden; verdeeld over 2 velden zijn dat 5 ronden, dus minstens 50 minuten speeltijd (met wisseltijd ~60 minuten). Zo weet je vooraf of het in je lesuur past.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je organiseert een toernooi voor 6 teams. Bereken het aantal wedstrijden bij een halve competitie, schat de benodigde tijd bij wedstrijden van 8 minuten op 2 velden, en beoordeel of dat in een dubbel lesuur (90 minuten) past.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — regelen: organiseren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)