De economie groeit niet gelijkmatig maar schommelt rond haar trend: de conjunctuur. Dit onderwerp behandelt het onderscheid tussen conjunctuur en trend, de bestedingen die de effectieve vraag vormen, het multipliereffect waarmee een bestedingsimpuls doorwerkt, en de output gap met over- en onderbesteding als bron van inflatie respectievelijk werkloosheid.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Voor iedereen: conjunctuur, bestedingen, de multiplier en over-/onderbesteding horen tot domein I (goede en slechte tijden).
verhoogd niveau
Verdieping: de multiplier afleiden uit de marginale consumptiequote en de output gap koppelen aan beleid.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Conjunctuur rond de trend
In een land groeit het reële bbp dit jaar met 4% terwijl de trendmatige groei 2% is; de werkloosheid daalt snel en de inflatie loopt op. Bepaal in welke fase van de conjunctuur het land zit en wat passend beleid is.
De groei (4%) ligt boven de trend (2%): de productie stijgt sneller dan structureel mogelijk, dus het bbp beweegt richting of boven de trendlijn.
Dalende werkloosheid en oplopende inflatie wijzen op krapte: hoogconjunctuur (top of opgaande fase richting de top).
Afremmend (anticyclisch) beleid: de bestedingen dempen om oververhitting en inflatie te voorkomen.
Resultaat: Het land bevindt zich in een hoogconjunctuur (boven de trend); passend is afremmend, anticyclisch beleid om oververhitting en inflatie te beteugelen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf de vier fasen van de conjunctuurgolf en geef voor elke fase aan wat er met de productiegroei, de werkloosheid en de inflatie gebeurt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)
De componenten van de effectieve vraag
Effectieve vraag
De som van de bestedingen; alleen de netto-uitvoer (X − M) telt mee.
Consumptie- en spaarquote
Het deel van een extra euro inkomen dat wordt geconsumeerd () of gespaard ().
Van een economie is bekend: consumptie €300 mld, investeringen €80 mld, overheidsbestedingen €120 mld, export €100 mld en import €90 mld. Bereken de effectieve vraag en leg uit waarom import wordt afgetrokken.
mld.
mld.
Import zijn bestedingen die naar buitenlandse producenten weglekken; alleen de binnenlandse productie telt, dus je trekt de import van de export af.
Resultaat: De effectieve vraag is €610 mld; de import wordt afgetrokken omdat die bestedingen naar het buitenland weglekken en geen binnenlandse productie aanjagen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een economie is C = €400 mld, I = €90 mld, O = €140 mld, X = €130 mld en M = €120 mld. Bereken de effectieve vraag. Wat gebeurt er met de effectieve vraag als de investeringen door dalend vertrouwen met €20 mld afnemen?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)
De bestedingsrondes van de multiplier
Eenvoudige multiplier
= marginale consumptiequote; hoe hoger , hoe groter de multiplier.
Totaal effect
De totale bbp-toename is de impuls maal de multiplier.
De marginale consumptiequote is 0,75. De overheid verhoogt haar bestedingen met €200 miljoen. Bereken de multiplier en de totale toename van het bbp.
.
miljoen.
De impuls van €200 mln zet een keten van bestedingen in gang die het bbp uiteindelijk met €800 mln verhoogt — vier keer de oorspronkelijke uitgave.
Resultaat: De multiplier is 4; de bestedingsimpuls van €200 miljoen verhoogt het bbp met €800 miljoen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De marginale consumptiequote is 0,6. De export stijgt met €150 miljoen. Bereken de multiplier en de totale toename van het bbp, en leg uit wat er gebeurt met de multiplier als een deel van het extra inkomen naar import weglekt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)
Output gap en gevolgen
Output gap
Positief = overbesteding (inflatierisico); negatief = onderbesteding (werkloosheid).
Het potentiële bbp van een land is €700 mld, het feitelijke bbp €665 mld. De werkloosheid loopt op en de inflatie is bijna nul. Bereken de output gap, benoem de situatie en geef het passende beleid.
mld (ongeveer van het potentieel): een negatieve output gap.
De vraag blijft achter bij de capaciteit: onderbesteding (laagconjunctuur), met oplopende conjuncturele werkloosheid en lage inflatie.
Expansief beleid: de overheid verhoogt de bestedingen of verlaagt de belastingen en/of de centrale bank verlaagt de rente, zodat de effectieve vraag stijgt en de gap sluit.
Resultaat: De output gap is −€35 mld (onderbesteding); passend is stimulerend beleid dat via de multiplier de effectieve vraag verhoogt en de werkloosheid vermindert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het feitelijke bbp is €820 mld en het potentiële bbp €790 mld; de inflatie loopt op. Bereken de output gap, benoem de situatie en geef aan welk beleid past.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad