Op de arbeidsmarkt komen de vraag naar en het aanbod van arbeid samen en ontstaat het loon. Dit onderwerp behandelt de loonvorming via vraag en aanbod, de soorten werkloosheid (frictie, conjunctureel, structureel), het effect van een minimumloon en andere instituties, en de Phillipscurve die op korte termijn een afruil tussen inflatie en werkloosheid laat zien.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Voor iedereen: de arbeidsmarkt, de soorten werkloosheid en het minimumloon horen tot de examenstof over arbeidsmarkt en conjunctuur.
verhoogd niveau
Verdieping: het effect van instituties op de evenwichtswerkloosheid en de Phillipscurve als kortetermijnafruil beredeneren.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Evenwicht op de arbeidsmarkt
Loonvorming
Vraag en aanbod van arbeid bepalen het loon, net als op een goederenmarkt.
Werkloosheidspercentage
Beroepsbevolking = werkenden + werkzoekende, beschikbare werklozen.
De arbeidsvraag is w = 30 − L en het arbeidsaanbod w = 6 + L (L in miljoenen personen). Bereken het evenwichtsloon en de werkgelegenheid. Als de beroepsbevolking 14 miljoen is en er 12 miljoen werken, bereken dan het werkloosheidspercentage.
.
(controle vraag: ).
Werklozen: miljoen; .
Resultaat: Het evenwichtsloon is 18 en de werkgelegenheid 12 miljoen; bij een beroepsbevolking van 14 miljoen is het werkloosheidspercentage ongeveer 14,3%.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De arbeidsvraag is w = 40 − 2L en het arbeidsaanbod w = 10 + L. Bereken het evenwichtsloon en de werkgelegenheid.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — arbeidsmarkt (CvTE / Examenblad)
Soorten werkloosheid
In een regio sluiten steenkoolmijnen definitief; veel mijnwerkers blijven jaren werkloos omdat de nieuwe banen ander werk en andere vaardigheden vragen. Bepaal de soort werkloosheid en het passende beleid.
De werkloosheid is langdurig en blijft ook bij goede conjunctuur bestaan; ze komt door een blijvende mismatch tussen de oude vaardigheden en de nieuwe banen.
Dit is structurele werkloosheid (een kwalitatieve en geografische mismatch).
Bestedingen stimuleren helpt niet; nodig is aanbodbeleid: om- en bijscholing, hulp bij verhuizing en betere matching.
Resultaat: Het is structurele werkloosheid door een mismatch; het passende beleid is scholing en betere matching, niet bestedingsstimulering.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem voor elk van de drie soorten werkloosheid een eigen voorbeeld en geef per voorbeeld aan welk beleid het meest geschikt is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur en arbeidsmarkt) (CvTE / Examenblad)
Minimumloon en werkloosheid
Effect van een bindend minimumloon
Een prijsbodem boven het evenwicht geeft een aanbodoverschot van arbeid.
De wig
Belastingen en premies tussen loonkosten en nettoloon; een grote wig drukt de arbeidsvraag.
De arbeidsvraag is w = 30 − L en het arbeidsaanbod w = 6 + L (evenwicht L = 12, w = 18). De overheid stelt een minimumloon van 22 in. Bereken de arbeidsvraag, het arbeidsaanbod en de werkloosheid bij dat loon.
.
.
Aanbodoverschot : er zijn 8 mensen die tegen dit loon willen werken maar geen baan vinden.
Resultaat: Bij het minimumloon van 22 is de vraag 8 en het aanbod 16; er ontstaat een werkloosheid van 8, omdat het minimumloon boven het evenwicht ligt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De arbeidsvraag is w = 40 − 2L en het arbeidsaanbod w = 10 + L. De overheid stelt een minimumloon van 28 in. Bereken de arbeidsvraag, het arbeidsaanbod en de werkloosheid.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — arbeidsmarkt (CvTE / Examenblad)
De Phillipscurve
Korte-termijn-Phillipscurve
Een dalend verband: een afruil tussen werkloosheid en inflatie.
Lange-termijn-Phillipscurve
Geen blijvende afruil; stimuleren geeft alleen meer inflatie.
Een land zit op de Phillipscurve bij 6% werkloosheid en 2% inflatie. De regering stimuleert de bestedingen om de werkloosheid naar 2% te brengen. Leg uit wat er volgens de curve op korte en op lange termijn gebeurt.
Langs de curve daalt de werkloosheid naar 2%, maar stijgt de inflatie naar ongeveer 6%: de afruil wordt zichtbaar.
Werknemers gaan de hogere inflatie verwachten en eisen hogere lonen; dat verhoogt de loonkosten en de inflatie verder.
De werkloosheid keert terug naar haar structurele niveau (rond 6%), terwijl de inflatie hoog blijft: er resteert alleen meer inflatie, geen blijvend lagere werkloosheid.
Resultaat: Op korte termijn ruilt het land werkloosheid in voor inflatie (van 6% naar 2% werkloosheid, van 2% naar 6% inflatie), maar op lange termijn keert de werkloosheid terug naar haar structurele niveau en blijft alleen de hogere inflatie over.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met de korte- en lange-termijn-Phillipscurve uit waarom een centrale bank die de werkloosheid blijvend onder haar structurele niveau wil drukken, uiteindelijk alleen oplopende inflatie veroorzaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein I (conjunctuur) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad