De motor van de evolutie op populatieniveau: hoe genetische variatie ontstaat en hoe natuurlijke selectie daarop inwerkt. Je bestudeert de bronnen van variatie (mutatie, recombinatie en de meiose), de soorten mutaties en mutagenen, de natuurlijke selectie met fitness en selectievormen, en — als verdieping — hoe allelfrequenties in een populatie veranderen (Hardy-Weinberg).
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE benoem je de bronnen van variatie en verklaar je natuurlijke selectie met selectiedruk en fitness.
verhoogd niveau
De kwantitatieve Hardy-Weinberg-benadering is verdieping die vooral in het SE en de profielverdieping aan bod komt.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Bronnen van genetische variatie
Verklaar met de meiose waarom kinderen van dezelfde ouders genetisch van elkaar verschillen.
Bij de meiose gaat van elk chromosoompaar willekeurig het vaderlijke of moederlijke chromosoom naar een gameet, wat talloze combinaties oplevert.
Homologe chromosomen wisselen stukken uit, zodat allelen in nieuwe combinaties op de chromosomen terechtkomen.
Welke zaadcel welke eicel bevrucht, is toevallig, zodat elke bevruchting een unieke allelencombinatie geeft.
Resultaat: Door onafhankelijke verdeling, crossing-over en willekeurige bevruchting krijgt elk kind een unieke combinatie van de ouderlijke allelen, dus verschillen broers en zussen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom broers en zussen (met dezelfde ouders) genetisch toch van elkaar verschillen, en noem twee mechanismen uit de meiose die daaraan bijdragen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — genetische variatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Soorten mutaties
Door uv-straling ontstaat een mutatie in een huidcel van een volwassene. Kan deze mutatie aan de kinderen worden doorgegeven? Verklaar.
Een huidcel is een lichaamscel (somatische cel), geen geslachtscel.
Aan het nageslacht worden alleen mutaties in de geslachtscellen (kiembaan) doorgegeven, want alleen die vormen de gameten.
Omdat de mutatie in een somatische cel zit, wordt ze niet doorgegeven; ze kan wel de persoon zelf treffen (bijv. bijdragen aan huidkanker).
Resultaat: Nee: een somatische mutatie in een huidcel wordt niet doorgegeven aan de kinderen; alleen kiembaanmutaties zijn erfelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een persoon krijgt door zonlicht (uv) een mutatie in een huidcel. Leg uit of deze mutatie aan de kinderen kan worden doorgegeven en verklaar je antwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — mutaties (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Gerichte selectie op een verdeling
Na droge jaren blijven alleen grote, harde zaden over. De gemiddelde snavelgrootte van een vinkensoort verschuift naar groter. Bepaal de selectievorm en verklaar met selectiedruk en fitness.
De droogte laat alleen grote, harde zaden over: het voedselaanbod is de selectiedruk.
Vogels met grotere snavels kunnen die harde zaden wel kraken; zij overleven beter en krijgen meer nakomelingen — hogere fitness.
Eén uiterste (grote snavels) is in het voordeel, waardoor het gemiddelde verschuift: dit is gerichte (directionele) selectie.
Resultaat: Dit is gerichte selectie: de selectiedruk (harde zaden) geeft grotere snavels een hogere fitness, zodat het gemiddelde naar grotere snavels verschuift.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een vogelsoort verschuift na een reeks droge jaren de gemiddelde snavelgrootte naar grotere snavels, omdat alleen grote, harde zaden overblijven. Welke selectievorm is dit? Verklaar met selectiedruk en fitness.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — natuurlijke selectie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Toename van een allelfrequentie onder selectie
In een populatie heeft 9% (0,09) het recessieve kenmerk (aa). Bereken q, p en het percentage dragers (Aa).
De frequentie van aa is q² = 0,09, dus q = √0,09 = 0,3.
Omdat p + q = 1 geldt p = 1 − 0,3 = 0,7.
De dragerfrequentie is 2pq = 2 × 0,7 × 0,3 = 0,42, dus 42%.
Resultaat: q = 0,3 en p = 0,7; het percentage dragers (Aa) is 42% — veel meer dan de 9% die het kenmerk zichtbaar vertoont.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een populatie heeft 9% van de individuen een recessief kenmerk (genotype aa). Bereken met het Hardy-Weinberg-model de allelfrequenties p en q en het percentage dragers (Aa).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — evolutie en allelfrequenties (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)