Hoe uit één soort nieuwe soorten ontstaan. Je bestudeert het soortbegrip en de variatie binnen populaties, de evolutiemechanismen (selectie, mutatie, genetische drift en migratie), het proces van soortvorming door reproductieve isolatie, en de aanwijzingen voor evolutie met fylogenetische stambomen.
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE pas je het soortbegrip toe en verklaar je soortvorming met isolatie en selectie.
verhoogd niveau
Verdieping ligt in de kwantitatieve verandering van allelfrequenties en de reconstructie van fylogenieën.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Continue variatie in een populatie
Paard en ezel krijgen samen een onvruchtbaar muildier. Behoren ze tot dezelfde soort? Verklaar met het soortbegrip.
Volgens het biologisch soortbegrip zijn organismen één soort als ze samen vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen.
Paard en ezel krijgen wel een nakomeling (het muildier), maar dat is onvruchtbaar.
Omdat de nakomeling onvruchtbaar is, is niet aan het criterium voldaan; paard en ezel zijn verschillende soorten.
Resultaat: Nee: hoewel de kruising een muildier oplevert, is dat onvruchtbaar, dus paard en ezel behoren volgens het biologisch soortbegrip tot verschillende soorten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een paard en een ezel kunnen samen een muildier krijgen, maar dat muildier is onvruchtbaar. Leg met het biologisch soortbegrip uit of paard en ezel tot dezelfde soort behoren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — soort en variatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Evolutiemechanismen
Na een overstroming blijven van een grote populatie slechts enkele individuen over, die toevallig vooral een bepaald allel dragen. Welk mechanisme heeft de allelfrequenties veranderd?
De populatie is door een ramp sterk ingekrompen; de weinige overlevenden vormen de nieuwe genenpool.
Welke individuen (en dus allelen) overleefden, was toeval, niet een kwestie van hogere fitness.
Een toevallige verschuiving van allelfrequenties door een sterke inkrimping is genetische drift (het flessenhalseffect).
Resultaat: Dit is genetische drift (een flessenhalseffect): het toeval van welke individuen overleefden, heeft de allelfrequenties veranderd, niet de selectie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Door een overstroming blijven van een grote kevermuis-populatie slechts enkele individuen over, die toevallig vooral het donkere allel dragen. Leg uit welk evolutiemechanisme hier de allelfrequenties heeft veranderd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — evolutiemechanismen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Allopatrische soortvorming
Een rivier splitst een knaagdierpopulatie in twee gebieden die eeuwenlang gescheiden blijven. Leg uit hoe hieruit twee soorten kunnen ontstaan.
De rivier vormt een geografische barrière; de twee groepen komen niet meer in contact en er is geen genstroom meer tussen hen.
In elk gebied veranderen de allelfrequenties zelfstandig door mutatie, selectie (mogelijk andere omstandigheden) en drift, zodat de genenpools uiteendrijven.
Na lange tijd zijn de verschillen zo groot dat de groepen zich, ook bij hernieuwd contact, niet meer met elkaar kunnen voortplanten.
Resultaat: De rivier scheidt de populatie (geen genstroom); onafhankelijke evolutie in beide gebieden leidt tot reproductieve isolatie, waarmee twee soorten ontstaan — allopatrische soortvorming.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een rivier verandert van loop en splitst een populatie knaagdieren in twee gebieden die eeuwenlang gescheiden blijven. Leg stap voor stap uit hoe hieruit twee soorten kunnen ontstaan.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — soortvorming (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Fylogenetische boom
In de fylogenetische boom delen soort C en D het meest recente gemeenschappelijke vertakkingspunt. Welke twee soorten zijn het nauwst verwant en waarom?
Twee soorten zijn nauwer verwant naarmate hun gemeenschappelijke vertakkingspunt recenter (hoger in de boom) ligt.
Soort C en D splitsen als laatste af, uit een gezamenlijke voorouder die na de aftakking van A en B leefde.
Omdat C en D het meest recente gemeenschappelijke vertakkingspunt delen, zijn zij nauwer met elkaar verwant dan met A of B.
Resultaat: Soort C en D zijn het nauwst verwant, want zij delen het meest recente gemeenschappelijke vertakkingspunt in de boom.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een fylogenetische boom staan de soorten A, B, C en D. Soort C en D delen het meest recente gemeenschappelijke vertakkingspunt. Leg uit welke twee soorten het nauwst verwant zijn en waarom.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — aanwijzingen voor evolutie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)