Hoe het lichaam zich verdedigt tegen ziekteverwekkers. Je bestudeert de niet-specifieke (aangeboren) afweer met barrières, fagocyten en ontstekingsreactie, de specifieke (verworven) afweer met B-lymfocyten en antistoffen (humoraal) en T-lymfocyten (cellulair), het immunologisch geheugen dat vaccinatie mogelijk maakt, en verstoringen van de afweer zoals allergie, auto-immuniteit en hiv.
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE beschrijf je de afweerlinies en verklaar je waarom vaccinatie beschermt.
verhoogd niveau
Verdieping ligt in de fijne samenwerking tussen T- en B-cellen en de gevolgen van afweerstoornissen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Niet-specifieke afweerlinies
Rond een splinter wordt de vinger rood, warm en gezwollen. Leg uit welke afweer optreedt en hoe deze verschijnselen ontstaan.
Bacteriën op de splinter zijn doorgedrongen; de niet-specifieke afweer treedt in werking met een ontstekingsreactie.
De bloedvaten ter plaatse verwijden zich en worden doorlaatbaarder, wat roodheid en warmte (meer doorbloeding) en zwelling (vochtuittreding) veroorzaakt.
Door de verhoogde doorbloeding komen meer fagocyten naar de plek, die de bacteriën opruimen; de verschijnselen horen dus bij een actieve afweer.
Resultaat: Het is een niet-specifieke ontstekingsreactie: verwijde, doorlaatbare bloedvaten geven roodheid, warmte en zwelling en voeren fagocyten aan die de indringers opruimen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een splinter in de vinger wordt de plek rood, warm en gezwollen. Leg uit welke afweer hier optreedt en hoe deze verschijnselen ontstaan.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — niet-specifieke afweer (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Specifieke afweer: humoraal en cellulair
Leg uit waarom de specifieke afweer een virus dat vrij in het bloed zit anders aanpakt dan een lichaamscel die al is geïnfecteerd.
Een vrij virus in het bloed wordt door antistoffen (van B-cellen) gebonden en geneutraliseerd of gemarkeerd voor fagocyten — de humorale afweer.
Een cel waarin het virus al binnen zit, is voor antistoffen onbereikbaar; cytotoxische T-cellen herkennen zo'n cel aan het virusantigeen op haar oppervlak en doden haar — de cellulaire afweer.
Antistoffen bereiken alleen wat buiten de cellen zit; het opruimen van al geïnfecteerde cellen vraagt de cellulaire (T-cel) route.
Resultaat: Een vrij virus wordt humoraal (antistoffen) aangepakt, een geïnfecteerde cel cellulair (cytotoxische T-cellen) — omdat antistoffen niet in de cel kunnen komen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom de specifieke afweer een virus dat vrij in het bloed zit anders bestrijdt dan een lichaamscel die al door dat virus is geïnfecteerd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — specifieke afweer (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Primaire en secundaire respons
Leg met de primaire en secundaire respons uit waarom je na een vaccinatie beschermd bent tegen de echte ziekteverwekker.
Het vaccin bevat onschadelijke antigenen; daartegen maakt het lichaam een primaire respons en vormt het geheugencellen, zonder dat je ziek wordt.
Kom je later met de echte ziekteverwekker in aanraking, dan herkennen de geheugencellen het antigeen meteen.
Er volgt een snelle, hoge secundaire respons die de ziekteverwekker opruimt vóór er ziekteverschijnselen optreden.
Resultaat: Het vaccin wekt een primaire respons met geheugencellen op; bij een echte besmetting zorgt de snelle secundaire respons ervoor dat je niet ziek wordt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bekijk een grafiek van de antistofconcentratie na een eerste en een tweede besmetting met dezelfde ziekteverwekker. Beschrijf de verschillen en leg uit hoe vaccinatie hierop berust.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — geheugen en vaccinatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Verstoringen van de afweer
Leg uit waarom een hiv-infectie zowel de humorale als de cellulaire afweer verzwakt, hoewel het virus vooral de T-helpercellen aantast.
Hiv infecteert en vernietigt de T-helpercellen; hun aantal daalt geleidelijk.
De T-helpercel activeert zowel de B-cellen (humorale afweer) als de cytotoxische T-cellen (cellulaire afweer); ze is de spil van de specifieke afweer.
Zonder voldoende T-helpercellen worden B- en T-cellen niet meer goed geactiveerd, waardoor beide takken van de specifieke afweer verzwakken en aids kan ontstaan.
Resultaat: Doordat hiv de sturende T-helpercellen uitschakelt, valt de activering van zowel de humorale als de cellulaire afweer weg en verzwakt het hele specifieke afweersysteem.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom een hiv-infectie, die vooral de T-helpercellen aantast, uiteindelijk zowel de humorale als de cellulaire afweer verzwakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — verstoringen van de afweer (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)