In de externe verslaggeving legt een onderneming aan de buitenwereld verantwoording af over haar financiële positie en resultaat. Dit onderwerp behandelt de balans en de resultatenrekening als kern van de jaarrekening, en de kengetallen waarmee je die beoordeelt: de liquiditeit (current ratio, quick ratio, werkkapitaal), de solvabiliteit en de rentabiliteit (REV, RTV, RVV) met het hefboomeffect. De rode draad is: uit de cijfers lees je af of een onderneming op korte termijn kan betalen, op lange termijn overeind blijft en genoeg verdient.
5 Onderdelen~17 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
Voor iedereen: de balans, de resultatenrekening en de kengetallen liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit horen tot de kern van de verslaggeving.
verhoogd niveau
Verdieping: de kengetallen aan normen en aan elkaar koppelen, en het hefboomeffect met REV, RTV en RVV doorrekenen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De balans
Balansevenwicht
Debet = credit; de balans is altijd in evenwicht.
Van een onderneming zijn bekend: gebouwen €150.000, machines €90.000, voorraden €60.000, debiteuren €40.000 en bank €20.000. Het vreemd vermogen is €180.000. Bereken het eigen vermogen en toon aan dat de balans in evenwicht is.
.
(activa − vreemd vermogen).
Credit = EV + VV = = totale activa. Debet = credit, dus de balans klopt.
Resultaat: Het eigen vermogen is €180.000; de balans is in evenwicht met €360.000 aan beide zijden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Stel de balans op van een onderneming met: machines €120.000, voorraden €45.000, debiteuren €25.000, bank €10.000, een hypothecaire lening €90.000 en crediteuren €35.000. Bereken het eigen vermogen en controleer het evenwicht.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)
De resultatenrekening
Brutowinst
De inkoopwaarde van de omzet betreft alleen de verkochte producten.
Bedrijfsresultaat
De winst vóór interest; hoort bij het totale vermogen (RTV).
Winst na financieringslasten
Hoort bij het eigen vermogen (REV).
Een onderneming heeft een omzet van €500.000, een inkoopwaarde van de omzet van €320.000, bedrijfskosten van €130.000 en interest van €9.000. Bereken de brutowinst, het bedrijfsresultaat en de winst voor belasting.
.
(winst vóór interest).
.
Resultaat: De brutowinst is €180.000, het bedrijfsresultaat €50.000 en de winst voor belasting €41.000; het bedrijfsresultaat hoort bij de RTV, de winst bij de REV.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft omzet €400.000, inkoopwaarde van de omzet €260.000, bedrijfskosten €95.000 en interest €7.000. Bereken de brutowinst, het bedrijfsresultaat en de winst voor belasting.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)
Liquiditeitskengetallen
Current ratio
Norm ± 1,5 tot 2. Alle vlottende activa tegenover de korte schulden.
Quick ratio
Norm ± 1. Voorraden tellen niet mee (niet snel liquide).
Werkkapitaal
De buffer in euro's; positief = deel van vlottende activa met permanent vermogen gefinancierd.
Een onderneming heeft vlottende activa van €120.000 (waarvan €60.000 voorraden) en een kort vreemd vermogen van €80.000. Bereken de current ratio, de quick ratio en het werkkapitaal en beoordeel de liquiditeit.
— binnen de gezonde marge (± 1,5 tot 2).
— onder de norm van ± 1.
positief.
De current ratio is goed, maar de quick ratio (0,75) laat zien dat de liquiditeit sterk op de voorraad leunt; kan die niet snel worden verkocht, dan komt de onderneming krap te zitten.
Resultaat: Current ratio 1,5 (gezond), quick ratio 0,75 (krap) en werkkapitaal €40.000; de liquiditeit is redelijk maar afhankelijk van de verkoopbaarheid van de voorraad.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft vlottende activa van €150.000 (waarvan €90.000 voorraden) en een kort vreemd vermogen van €100.000. Bereken de current ratio, de quick ratio en het werkkapitaal en beoordeel de liquiditeit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)
Solvabiliteit van twee ondernemingen
Solvabiliteit (EV/TV)
Norm globaal ± 25% tot 40% of meer; hoe hoger, hoe groter de buffer.
Onderneming A heeft €180.000 eigen vermogen en €180.000 vreemd vermogen; onderneming B heeft €60.000 eigen vermogen en €300.000 vreemd vermogen. Beide hebben een totaal vermogen van €360.000. Bereken de solvabiliteit van beide en beoordeel welke veiliger is.
.
.
A kan tot €180.000 verlies opvangen voordat de schuldeisers geraakt worden; B slechts €60.000.
A is veel solvabeler en veiliger; B leunt sterk op vreemd vermogen en is kwetsbaar bij tegenvallers.
Resultaat: Onderneming A heeft een solvabiliteit van 50%, B van 17%; A heeft een veel grotere buffer en is dus veiliger voor geldgevers.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft een totaal vermogen van €500.000 en een vreemd vermogen van €350.000. Bereken het eigen vermogen en de solvabiliteit (EV/TV), en beoordeel of de onderneming voldoende buffer heeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)
De drie rentabiliteiten
Rentabiliteit totaal vermogen
Winst vóór interest ten opzichte van het totale vermogen.
REV en RVV
REV: winst na interest ten opzichte van het eigen vermogen; RVV: de gemiddelde rente op het vreemd vermogen.
Hefboomformule
RTV > RVV: hefboom stuwt de REV op; RTV < RVV: hefboom drukt de REV omlaag.
Bedrijfsresultaat €50.000, interest €9.000, winst voor belasting €41.000. Totaal vermogen €360.000, eigen vermogen €180.000, vreemd vermogen €180.000. Bereken de RTV, RVV en REV en controleer de REV met de hefboomformule.
.
.
.
: klopt.
Resultaat: RTV 13,9%, RVV 5,0% en REV 22,8%; de hefboomformule bevestigt de REV. Omdat RTV > RVV werkt de hefboom positief.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft een bedrijfsresultaat van €60.000, interest €12.000, een totaal vermogen van €400.000, een eigen vermogen van €160.000 en een vreemd vermogen van €240.000. Bereken de RTV, RVV en REV en controleer de REV met de hefboomformule.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein G (verslaggeving) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad