Om een goede prijs te zetten en de winst te sturen, moet een onderneming haar kosten kennen. Dit onderwerp behandelt de kostensoorten (constante en variabele kosten), de berekening van de kostprijs (opslag- en kostenplaatsmethode), de break-evenanalyse (break-evenafzet en -omzet) en de resultaatbepaling met het verkoop- en het bezettingsresultaat. De rode draad is het onderscheid tussen constante en variabele kosten, dat bijna elke berekening in dit domein stuurt.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor iedereen: constante versus variabele kosten, de kostprijs en de break-evenanalyse horen tot de kern van domein F2.
verhoogd niveau
Verdieping: de kostprijs verbijzonderen met de kostenplaatsmethode en de winst opsplitsen in een verkoop- en een bezettingsresultaat.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Constante, variabele en totale kosten
Totale kosten
CK = constante kosten; vk = variabele kosten per product; q = aantal.
Vaste-kostendegressie
De constante kosten per stuk dalen naarmate q groter wordt.
Een onderneming heeft €60.000 constante kosten en €4 variabele kosten per product. Bereken de totale kosten en de totale kosten per product bij 20.000 en bij 30.000 stuks, en verklaar het verschil in de kosten per product.
; per product .
; per product .
De variabele kosten blijven €4 per stuk, maar de constante kosten per stuk dalen van €3 (60.000/20.000) naar €2 (60.000/30.000): vaste-kostendegressie.
Resultaat: De totale kosten zijn €140.000 (bij 20.000) en €180.000 (bij 30.000); de kosten per product dalen van €7 naar €6 doordat de constante kosten over meer stuks worden verdeeld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf heeft €90.000 constante kosten en €6 variabele kosten per product. Bereken de totale kosten en de kosten per product bij 15.000 en bij 25.000 stuks, en leg het verschil in kosten per product uit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)
Kostenverbijzondering via kostenplaatsen
Kostprijs
Deel de constante kosten door de normale (verwachte) productie.
Opslagmethode
Elke euro directe kosten krijgt dit percentage aan indirecte kosten toegerekend.
Een product heeft €30 directe materiaalkosten en €20 direct loon. De totale indirecte kosten van de onderneming zijn €200.000, de totale directe kosten €500.000. Bereken het opslagpercentage en de kostprijs van dit product.
.
.
indirecte kosten.
per product.
Resultaat: Het opslagpercentage is 40%; de kostprijs is €70 (€50 directe kosten + €20 opgeslagen indirecte kosten).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft €120.000 constante kosten, een normale productie van 40.000 stuks en €5 variabele kosten per product. Bereken de kostprijs. Bereken daarnaast met de opslagmethode de kostprijs van een product met €40 directe kosten als de indirecte kosten €300.000 en de directe kosten €600.000 zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)
Break-evenanalyse: TO en TK
Dekkingsbijdrage (contributiemarge)
Wat elk product bijdraagt aan het dekken van de constante kosten.
Break-evenafzet
De afzet waarbij TO = TK en de winst nul is.
Break-evenomzet
De omzet bij de break-evenafzet.
Een onderneming heeft €60.000 constante kosten, €4 variabele kosten per product en een verkoopprijs van €10. De verwachte afzet is 16.000 stuks. Bereken de break-evenafzet, de break-evenomzet en de veiligheidsmarge.
per product.
stuks.
.
stuks; de afzet mag met 6.000 stuks (37,5%) tegenvallen voordat er verlies ontstaat.
Resultaat: De break-evenafzet is 10.000 stuks, de break-evenomzet €100.000; met een verwachte afzet van 16.000 is de veiligheidsmarge 6.000 stuks.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft €90.000 constante kosten, €7 variabele kosten en een verkoopprijs van €12. Bereken de break-evenafzet en break-evenomzet. Wat gebeurt er met de break-evenafzet als de constante kosten met €18.000 stijgen?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)
Verkoop- en bezettingsresultaat
Verkoopresultaat
De winst uit het verkopen boven de kostprijs.
Bezettingsresultaat
Positief bij overbezetting (meer dan normaal geproduceerd), negatief bij onderbezetting.
Normale productie 20.000 stuks, kostprijs €7 (waarvan €3 constant), verkoopprijs €10. Werkelijk: 22.000 geproduceerd en verkocht. Bereken het verkoopresultaat, het bezettingsresultaat en het totale resultaat, en controleer via de directe winstberekening (CK = €60.000; vk = €4).
.
(overbezetting).
.
Omzet ; totale kosten ; winst : klopt.
Resultaat: Verkoopresultaat €66.000, bezettingsresultaat €6.000, totaal €72.000 — precies gelijk aan de directe winstberekening, wat de opsplitsing bevestigt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Normale productie 30.000 stuks, kostprijs €9 (waarvan €4 constant), verkoopprijs €13. Werkelijk: 28.000 geproduceerd en verkocht. Bereken het verkoopresultaat, het bezettingsresultaat en het totale resultaat, en controleer je uitkomst.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F2 (kosten- en winstvraagstukken) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen