Om te kunnen sturen en verantwoorden, legt een onderneming al haar transacties vast in de boekhouding. Dit onderwerp behandelt de grootboekrekeningen (balans- en resultatenrekeningen), het journaliseren volgens het debet-creditprincipe, het boeken van btw (te vorderen en af te dragen) en de weg van het journaal via de proef- en saldibalans naar de balans en de resultatenrekening. De ijzeren regel is: elke boeking heeft debet én credit, en debet = credit.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor iedereen: de debet-creditregels, het journaliseren van in- en verkoop, de btw-boekingen en de saldibalans horen tot de kern van domein F1.
verhoogd niveau
Verdieping: de samenhang tussen het journaal, de grootboekrekeningen en de saldibalans doorzien en de winst uit de resultatenrekeningen afleiden.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Debet-creditregels per rekeningsoort
Het balansevenwicht
Elke boeking heeft een debet- én een creditkant van gelijke grootte.
Resultaat
De winst wordt aan het eind aan het eigen vermogen toegevoegd.
Een onderneming koopt een machine (bezitting) en betaalt daarvoor met geld van de bank (bezitting). Bepaal per rekening of ze toeneemt of afneemt en aan welke zijde je boekt.
De bezitting machines neemt toe; een vermeerdering van een bezitting boek je debet.
De bezitting bank neemt af; een vermindering van een bezitting boek je credit.
Debet (machines) = credit (bank): de boeking is in evenwicht en het balanstotaal blijft gelijk (de ene bezitting vervangt de andere).
Resultaat: Machines debet (toename bezitting), Bank credit (afname bezitting); debet = credit, dus de boeking klopt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal voor de volgende rekeningen of het een balans- of resultatenrekening is en of het saldo debet of credit staat: debiteuren, crediteuren, huurkosten, omzet, eigen vermogen en voorraad.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)
Journaalposten voor in- en verkoop
Journaalpost in evenwicht
Elke boeking heeft gelijke debet- en creditbedragen.
Een onderneming verkoopt op rekening voor €2000 exclusief 21% btw. Maak de journaalpost en toon aan dat debet gelijk is aan credit.
btw af te dragen.
De klant is het volledige bedrag inclusief btw schuldig: (bezitting toe → debet).
Opbrengst verkopen €2000 (credit) en btw af te dragen €420 (credit).
Debet €2420 = credit : de journaalpost klopt.
Resultaat: Debiteuren €2420 debet; aan opbrengst verkopen €2000 en aan btw af te dragen €420 credit. Debet = credit = €2420.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Maak de journaalposten voor: (a) een inkoop op rekening van €3000 exclusief 21% btw en (b) de latere betaling van die crediteur per bank. Toon bij elke post aan dat debet = credit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)
Btw-afdracht over een periode
Btw-afdracht
Per saldo draag je btw af over je toegevoegde waarde (marge).
Een onderneming had dit kwartaal €80.000 verkopen en €55.000 inkopen, beide exclusief 21% btw. Bereken de btw te vorderen, de btw af te dragen en het bedrag dat per saldo aan de Belastingdienst wordt betaald.
.
.
.
De €5.250 is 21% over de toegevoegde waarde van €25.000 (): de onderneming draagt alleen af over haar marge.
Resultaat: De btw af te dragen is €16.800, de btw te vorderen €11.550; per saldo betaalt de onderneming €5.250 — precies 21% over haar toegevoegde waarde van €25.000.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderneming heeft in een maand €120.000 verkopen en €90.000 inkopen (beide exclusief 21% btw). Bereken de btw af te dragen, de btw te vorderen en het saldo, en toon aan dat dat saldo gelijk is aan 21% van de toegevoegde waarde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)
Saldibalans met balans- en resultatenrekeningen
Controle van de saldibalans
Klopt dit niet, dan is er ergens een boekingsfout gemaakt.
Winst uit de saldibalans
De winst wordt toegevoegd aan het eigen vermogen op de balans.
Uit een saldibalans blijken de volgende resultatenrekeningen: omzet €88.000 (credit), inkoopwaarde omzet €60.000 (debet) en bedrijfskosten €20.000 (debet). Bereken de winst en leg uit wat er met die winst gebeurt op de balans.
(de debetsaldi van de resultatenrekeningen).
(opbrengsten − kosten).
De winst van €8.000 wordt toegevoegd aan het eigen vermogen, dat daardoor stijgt.
Door de winst bij het eigen vermogen te tellen, komt de eindbalans (activa = eigen vermogen + vreemd vermogen) weer in evenwicht.
Resultaat: De winst is €8.000; die wordt bij het eigen vermogen op de balans opgeteld, waarmee de resultatenrekening en de balans op elkaar aansluiten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een saldibalans bevat: kas €10.000 (D), voorraad €30.000 (D), crediteuren €8.000 (C), eigen vermogen €25.000 (C), omzet €70.000 (C), inkoopwaarde €50.000 (D) en bedrijfskosten €13.000 (D). Toon aan dat debet = credit en bereken de winst.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein F1 (vastleggen van financiële informatie) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen