Investeren is nu geld uitgeven aan bedrijfsmiddelen om er later opbrengsten mee te verdienen. Dit onderwerp behandelt het afschrijven van vaste activa (lineair, met restwaarde en boekwaarde), en de drie manieren om een investering te beoordelen: de terugverdientijd, de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit en de netto contante waarde (NCW). De rode draad is dat je toekomstige opbrengsten en de uitgave nu op één noemer moet brengen om een goede beslissing te nemen.
4 Onderdelen~13 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor iedereen: afschrijven, de terugverdientijd en de gemiddelde rentabiliteit horen tot de kern van domein D1.
verhoogd niveau
Verdieping: de netto contante waarde berekenen, waarin de tijdswaarde van geld wordt meegenomen, en de drie beoordelingsmethoden vergelijken.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Lineaire afschrijving: dalende boekwaarde
Lineaire afschrijving
Elk jaar hetzelfde bedrag; de restwaarde wordt niet afgeschreven.
Boekwaarde
Daalt jaarlijks met de afschrijving, van aanschafprijs naar restwaarde.
Een bestelbus kost €36.000, heeft een geschatte restwaarde van €6.000 en gaat 6 jaar mee. Bereken de jaarlijkse lineaire afschrijving en de boekwaarde na 4 jaar.
(de restwaarde blijft staan).
per jaar.
.
.
Resultaat: De jaarlijkse afschrijving is €5.000; na 4 jaar is de boekwaarde €16.000 (en na 6 jaar precies de restwaarde van €6.000).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een machine kost €80.000, heeft een restwaarde van €8.000 en een levensduur van 8 jaar. Bereken de jaarlijkse afschrijving en de boekwaarde na 5 jaar.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D1 (investeren) (CvTE / Examenblad)
Cumulatieve cashflow en de terugverdientijd
Terugverdientijd (gelijke cashflows)
Bij ongelijke cashflows: tel de cumulatieve cashflow op tot de investering gedekt is.
Een investering van €50.000 levert op: jaar 1 €12.000, jaar 2 €16.000, jaar 3 €18.000 en jaar 4 €20.000. Bereken de terugverdientijd.
; er ontbreekt nog .
In jaar 4 komt €20.000 binnen; de resterende €4.000 is bereikt na jaar.
jaar (3 jaar en circa 2,4 maanden).
Resultaat: De terugverdientijd is 3,2 jaar; na iets meer dan drie jaar is de investering van €50.000 terugverdiend.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een investering van €60.000 geeft cashflows van €18.000, €20.000, €22.000 en €25.000 in de jaren 1 tot en met 4. Bereken de terugverdientijd en leg uit waarom deze methode een investering met hoge latere opbrengsten kan onderwaarderen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D1 (investeren) (CvTE / Examenblad)
Berekening van de gemiddelde rentabiliteit
Gemiddelde jaarwinst
De winst is de kasstroom minus de afschrijving.
Gemiddeld geïnvesteerd vermogen
De boekwaarde daalt lineair van aanschaf naar restwaarde.
Gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit
Vergelijk met de rendementseis van de onderneming.
Een machine kost €40.000 met een restwaarde van €4.000 en gaat 4 jaar mee. De netto-ontvangsten zijn samen €60.000 over 4 jaar. De onderneming eist minstens 20% rendement. Bereken de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit en beoordeel de investering.
.
.
.
.
Resultaat: De gemiddelde rentabiliteit is 27,3%, boven de eis van 20%; de investering is op grond van deze methode aantrekkelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een investering van €30.000 (restwaarde €0, levensduur 5 jaar) geeft samen €50.000 netto-ontvangsten. Bereken de gemiddelde jaarwinst, het gemiddeld geïnvesteerd vermogen en de gemiddelde boekhoudkundige rentabiliteit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D1 (investeren) (CvTE / Examenblad)
Tijdlijn van de investering en de cashflows
Berekening van de netto contante waarde
Disconteren van een cashflow
Elke cashflow terugrekenen naar het heden met disconteringsvoet .
Netto contante waarde
Positieve NCW: doen; negatieve NCW: niet doen; nul: precies de rendementseis.
Een investering van €20.000 levert twee jaar lang €12.000 per jaar op. De disconteringsvoet is 10%. Bereken de netto contante waarde en beslis of de investering doorgaat.
.
.
.
. Positief, dus de investering gaat door.
Resultaat: De NCW is +€826,45; omdat die positief is, haalt de investering meer dan de rendementseis van 10% en is ze aantrekkelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een investering van €25.000 geeft drie jaar lang €10.000 cashflow per jaar. De disconteringsvoet is 8%. Bereken de contante waarde per jaar, de som en de netto contante waarde, en beslis of de investering aantrekkelijk is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein D1 (investeren) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad