Loading
Loading
Deze profielverdieping binnen domein B (kansrekening en statistiek) bundelt drie samenhangende ideeën uit de schoolexamenstof van wiskunde D: het schatten van een proportie of gemiddelde met een 95%-betrouwbaarheidsinterval, de rekenregels voor de verwachtingswaarde en de spreiding van stochasten (met de kernregel dat een steekproefgemiddelde minder gespreid is dan één waarneming, sigma gedeeld door de wortel van n), en het simuleren van kansexperimenten met de wet van de grote aantallen. Je bouwt voort op de binomiale en de normale verdeling en ziet hoe schatten, spreiding en simuleren in elkaar grijpen. Het hele onderwerp wordt getoetst in het schoolexamen (SE); wiskunde D kent geen centraal examen.
3Onderdelenca. 24min leestijd3VaardighedenNiveauStandaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het schoolexamen (SE): schat een proportie of gemiddelde met een 95%-betrouwbaarheidsinterval, gebruik sigma gedeeld door de wortel van n voor de spreiding van een gemiddelde, en simuleer een kansexperiment om met de wet van de grote aantallen een kans te schatten.
verhoogd niveau
Verdieping binnen domein B: beredeneer met de rekenregels voor verwachtingswaarde en spreiding (en de centrale limietstelling) waaróm het gemiddelde klokvormig en minder gespreid is, en waarom meer steekproef of meer simulaties pas via de wortel van n nauwkeuriger worden.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
95%-betrouwbaarheidsinterval rond een steekproefproportie
95%-interval voor een gemiddelde
Neem het steekproefgemiddelde en leg er aan beide kanten twee standaardafwijkingen van het gemiddelde omheen. De factor 2 komt uit de 95%-vuistregel van de normale verdeling.
95%-interval voor een proportie
Het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor een proportie: de schatting plus en min twee keer de standaardafwijking van de steekproefproportie. Als veilige bovengrens geldt de vuistregel 1 gedeeld door de wortel van n.
marge daalt met de wortel van n
De foutmarge is omgekeerd evenredig met de wortel van de steekproefgrootte: vier keer zoveel waarnemingen (de wortel van 4 is 2) halveert de marge.
In een aselecte steekproef van n = 400 kiezers blijken er 240 vóór een voorstel te zijn. Bepaal de steekproefproportie, bereken met de normale benadering het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie, en interpreteer het resultaat.
Deel het aantal voorstanders door de steekproefgrootte: van de 400 ondervraagden zijn er 240 vóór, dus de steekproefproportie is 240/400 = 0,60. Dit getal is je schatting en vormt het midden van het interval.
De standaardafwijking van de steekproefproportie is de wortel van p-dakje maal (1 min p-dakje), gedeeld door n. Met p-dakje = 0,60 en n = 400 geeft dat de wortel van 0,0006, ongeveer 0,0245.
Bij het 95%-interval hoort een marge van twee standaardafwijkingen, want ongeveer 95% van een normaal verdeelde grootheid ligt binnen twee standaardafwijkingen van het midden. De foutmarge is dus 2 × 0,0245 ≈ 0,049, bijna 5 procentpunt.
Leg de foutmarge aan beide kanten van de schatting: 0,60 − 0,049 ≈ 0,55 als ondergrens en 0,60 + 0,049 ≈ 0,65 als bovengrens. Het 95%-betrouwbaarheidsinterval loopt dus van ongeveer 0,55 tot 0,65.
Conclusie: we zijn er 95% zeker van dat de werkelijke proportie voorstanders in de populatie tussen ongeveer 55% en 65% ligt. We mogen niet zeggen dat precies 60% vóór is; de schatting heeft een marge van bijna 5 procentpunt naar beide kanten.
Resultaat: De steekproefproportie is 0,60; met een standaardafwijking van ongeveer 0,0245 en een foutmarge van 2 × 0,0245 ≈ 0,049 loopt het 95%-betrouwbaarheidsinterval van ongeveer 0,55 tot 0,65. We zijn er 95% zeker van dat de populatieproportie tussen 55% en 65% ligt — niet dat die precies 60% is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een aselecte steekproef van 200 kiezers is 45% (een proportie van 0,45) vóór een voorstel. Bereken het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor de populatieproportie en interpreteer het in één zin. Beredeneer daarna hoeveel kiezers je ongeveer moet ondervragen om de foutmarge te halveren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Verdeling van het steekproefgemiddelde tegenover één waarneming
verwachtingswaarde bij schalen en verschuiven
Vermenigvuldig je elke uitkomst met a en tel je b op, dan doet de verwachtingswaarde precies hetzelfde mee. Een vaste toeslag b verschuift het gemiddelde, een factor a schaalt het.
verwachtingswaarde van een som
De verwachtingswaarde van een som is altijd de som van de verwachtingswaarden — ook als X en Y van elkaar afhangen. Voor n waarnemingen wordt de verwachte som n maal mu.
som versus gemiddelde
De spreiding van de SOM van n onafhankelijke waarnemingen groeit met de wortel van n; die van het GEMIDDELDE krimpt met de wortel van n. Verwar deze twee niet.
spreiding van het steekproefgemiddelde
De standaardafwijking van het steekproefgemiddelde is die van één waarneming, gedeeld door de wortel van n. Het gemiddelde is dus minder gespreid dan één losse waarneming.
Spreiding van het gemiddelde bij toenemende steekproefgrootte
Een machine vult pakken met een vulgewicht dat normaal verdeeld is met gemiddelde μ = 500 gram en standaardafwijking σ = 20 gram per pak. Je neemt een aselecte steekproef van n = 25 pakken en kijkt naar het gemiddelde vulgewicht. Bereken de verwachtingswaarde en de standaardafwijking van dat steekproefgemiddelde en leg uit wat ze betekenen.
Eén pak: gemiddelde μ = 500 g en standaardafwijking σ = 20 g. De steekproef bevat n = 25 pakken; je onderzoekt het steekproefgemiddelde (X-streep) van die 25 vulgewichten.
Het gemiddelde is de som van de 25 vulgewichten gedeeld door 25. Met de somregel is de verwachte som 25 × 500 g, en delen door 25 geeft 500 g. Het steekproefgemiddelde schat het populatiegemiddelde dus zuiver.
Gebruik de regel: sigma van het gemiddelde is sigma gedeeld door de wortel van n. De wortel van 25 is 5, dus de standaardafwijking van het gemiddelde is 20/5 = 4 g.
Eén los pak wijkt met een standaardafwijking van 20 g van 500 g af, maar het gemiddelde van 25 pakken wijkt met slechts 4 g af — vijf keer zo stabiel. Door te middelen vlakken de toevallige uitschieters van de losse pakken tegen elkaar weg.
Volgens de centrale limietstelling is het steekproefgemiddelde bij benadering normaal verdeeld met midden 500 g en standaardafwijking 4 g. Daarom ligt ongeveer 95% van de mogelijke steekproefgemiddelden binnen 500 ± 2 × 4, dus tussen 492 g en 508 g.
Resultaat: Het steekproefgemiddelde heeft verwachtingswaarde 500 g en standaardafwijking σ/√n = 20/√25 = 4 g — vijf keer kleiner dan de 20 g van één pak. Het gemiddelde van 25 pakken is dus veel stabieler dan één enkel pak, en ligt volgens de centrale limietstelling met ongeveer 95% kans tussen 492 en 508 g.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het gewicht van één appel is normaal verdeeld met μ = 150 gram en σ = 18 gram. Je weegt een aselecte doos met n = 9 appels en kijkt naar het gemiddelde gewicht. Bereken de verwachtingswaarde en de standaardafwijking van dat steekproefgemiddelde, en leg uit hoeveel stabieler het gemiddelde is dan het gewicht van één appel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Relatieve frequentie nadert de theoretische kans
relatieve frequentie
Tel hoe vaak de gebeurtenis optreedt en deel door het totale aantal herhalingen. Deze relatieve frequentie is je schatting van de kans uit de simulatie.
wet van de grote aantallen
Naarmate het aantal herhalingen n groeit, nadert de relatieve frequentie k gedeeld door n de theoretische kans p. Meer simuleren geeft een betrouwbaarder schatting.
Je wilt de kans op de gebeurtenis „de som is 7” bij het gooien van twee dobbelstenen onderzoeken. Beschrijf hoe je dit met de grafische rekenmachine simuleert, bepaal de theoretische kans, en vergelijk die met een simulatie-uitkomst van 1000 worpen waarbij 163 keer de som 7 viel.
Je gooit twee dobbelstenen en let op de som van de ogen. De gebeurtenis die je onderzoekt is „som = 7”.
Tel de gunstige uitkomsten: 1+6, 2+5, 3+4, 4+3, 5+2 en 6+1 geven samen 6 manieren, op een totaal van 6 × 6 = 36 even waarschijnlijke uitkomsten. De theoretische kans is dus 6/36 = 1/6 ≈ 0,167.
Boots één worp na met twee toevalsgetallen: randInt(1,6) + randInt(1,6) geeft de som van twee dobbelstenen. Laat de rekenmachine dit bijvoorbeeld 1000 keer uitvoeren (een lijst van 1000 sommen) en tel hoe vaak de uitkomst 7 is.
Stel dat de som 7 in 1000 worpen 163 keer voorkomt. Dan is de relatieve frequentie 163/1000 = 0,163. Dit is je schatting van de kans uit de simulatie.
De simulatie geeft 0,163, de theorie 0,167 — vrijwel gelijk. De kleine afwijking is toevalsvariatie; een nieuwe simulatie geeft weer een iets ander getal. Bij 10 of 50 worpen zou de relatieve frequentie nog ver van 0,167 kunnen liggen, maar door de wet van de grote aantallen kruipt ze bij 1000 of 5000 worpen dicht naar de theoretische kans toe.
Resultaat: De theoretische kans op som 7 is 6/36 = 1/6 ≈ 0,167. De simulatie van 1000 worpen gaf met 163 successen een relatieve frequentie van 0,163, vrijwel gelijk aan de theorie. Het kleine verschil is toeval; volgens de wet van de grote aantallen wordt de schatting betrouwbaarder naarmate je vaker simuleert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je simuleert met de grafische rekenmachine het gooien van twee dobbelstenen en let op de gebeurtenis „som = 8”. Beschrijf hoe je deze simulatie opzet, bepaal de theoretische kans, en leg uit wat je verwacht dat er met de relatieve frequentie gebeurt als je van 50 naar 5000 simulaties gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad