Loading
Loading
Dit onderwerp brengt de meetkunde naar een coördinatenstelsel: je beschrijft punten in 2D en 3D met coördinaten, rekent met vectoren als verplaatsingen en als kolomvectoren, en gebruikt het inproduct om lengtes, hoeken en loodrechte stand te bepalen. Met een parametervoorstelling leg je ten slotte lijnen — en kort ook vlakken — vast met een steunpunt en een richtingsvector. Deze rekentaal vormt het fundament voor de rest van domein C (ruimtemeetkunde).
4Onderdelenca. 24min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je punten in 3D feilloos plaatst en de afstand, het midden en de lengte van een vector routineus berekent; dat zijn de bewerkingen die in vrijwel elke opgave van domein C terugkomen.
verhoogd niveau
Werk exact met het inproduct — bepaal hoeken en toon loodrechte stand algebraïsch aan — en stel parametervoorstellingen op waarmee je de onderlinge ligging van punten en lijnen onderzoekt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Afstand tussen twee punten in de ruimte
Afstand tussen twee punten in 3D
De afstand is de wortel van de som van de gekwadrateerde coördinaatverschillen; laat één term weg voor de afstand in 2D.
Midden van een lijnstuk
Het midden is het gemiddelde van de coördinaten per as; in 2D vervalt de derde coördinaat.
Bereken de afstand tussen en . Geef het antwoord exact.
Trek per as de coördinaat van A af van die van B.
Vul de verschillen in de afstandsformule in en tel de kwadraten op.
De som onder de wortel is 49, een kwadraat, dus de afstand is een geheel getal.
Resultaat: De afstand is . Doordat een kwadraat is, komt er een mooi geheel getal uit; was de som geen kwadraat geweest, dan had je de wortel exact laten staan en pas op het eind benaderd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven zijn en . Bereken de afstand exact en bepaal het midden van het lijnstuk .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Vectoren optellen met de kop-staartmethode
De lengte (norm) van een vector
De lengte is de wortel van de som van de gekwadrateerde kentallen; dit is dezelfde formule als de afstand tussen twee punten.
Vectoren optellen per component
Tel de overeenkomstige kentallen op; aftrekken en scalair vermenigvuldigen gaan op dezelfde component-voor-component manier.
Gegeven en . Bereken en de lengte .
Tel de overeenkomstige kentallen bij elkaar op.
Vul de kentallen van de somvector in de normformule in.
De som onder de wortel (34) is geen kwadraat, dus de lengte blijft een wortel.
Resultaat: De somvector is met lengte . Ter controle: en , en inderdaad is — de twee vectoren wijzen niet precies dezelfde kant op, dus de som is korter dan de twee lengtes samen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven en . Bereken , de vector en de lengte .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De hoek tussen twee vectoren
Het inproduct
Vermenigvuldig de overeenkomstige kentallen en tel de producten op; de uitkomst is een getal.
Hoek en loodrechte stand
De cosinus van de hoek is het inproduct gedeeld door het product van de lengtes; loodrechte stand betekent dat het inproduct nul is.
Bereken de hoek tussen en in graden.
Vermenigvuldig de overeenkomstige kentallen en tel op.
Gebruik de normformule voor beide vectoren; laat de wortels exact staan.
Deel het inproduct door het product van de lengtes en vereenvoudig de wortel.
Neem de boog-cosinus; ½√2 is de bekende waarde die bij 45° hoort.
Resultaat: De hoek is . Omdat een exacte standaardwaarde is, komt er een nette hoek uit; bij andere getallen laat je exact staan en rond je de hoek pas op het eind af.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven en . Bereken het inproduct en de hoek tussen en in graden (rond af op één decimaal).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Een lijn door een steunpunt met een richtingsvector
Parametervoorstelling van een lijn
Een lijn is vastgelegd door een steunpunt met plaatsvector p en een richtingsvector r; de parameter t doorloopt alle reële getallen.
Parametervoorstelling van een vlak
Een vlak heeft een steunpunt en twee niet-evenwijdige richtingsvectoren u en v, met twee parameters s en t.
Stel een parametervoorstelling op van de lijn door en , en onderzoek of op deze lijn ligt.
De richtingsvector is de verplaatsing van A naar B: kop min staart.
Neem A als steunpunt en zet de voorstelling per component uit.
Los t op uit de x-vergelijking en controleer of diezelfde t ook y en z laat kloppen.
Resultaat: De parametervoorstelling is . Voor geeft elke component dezelfde waarde , dus ligt op de lijn. Zou ook maar één component een andere hebben gegeven, dan lag er niet op.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Stel een parametervoorstelling op van de lijn door en , en onderzoek of het punt op deze lijn ligt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad