Loading
Loading
Statistische verwerkingsmethoden horen bij domein B (Kansrekening en statistiek) van wiskunde D — het profielkeuzevak van Natuur & Techniek, naast wiskunde B — en bouwen voort op de kansverdelingen. Je leert de samenhang tussen twee variabelen beschrijven met een spreidingsdiagram, de correlatiecoëfficiënt en de regressielijn, en je leert beslissingen onderbouwen met hypothesetoetsen: eerst met de binomiale verdeling, daarna met de normale benadering. Omdat wiskunde D volledig met het schoolexamen (SE) wordt afgesloten, toetst het SE deze methoden in samenhang met de rest van de kansrekening en statistiek.
4Onderdelenca. 31min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 3 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het schoolexamen (SE): maak een spreidingsdiagram, bepaal met de grafische rekenmachine de correlatiecoëfficiënt en de regressielijn , en voer een eenzijdige binomiale of normale toets uit volgens het vaste stappenplan (, , , kritiek gebied of p-waarde, conclusie).
verhoogd niveau
Verdieping: beredeneer waarom de kleinste-kwadratenlijn de residuen minimaliseert, waarom een hoge correlatie geen oorzaak aantoont, en hoe het significantieniveau de kans op een onterechte verwerping (vals alarm) regelt; verbind de binomiale toets met de normale benadering.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Spreidingsdiagram: gamen en cijfer
correlatiecoëfficiënt
De correlatiecoëfficiënt meet richting en sterkte van het lineaire verband. De teller telt de producten van de afwijkingen van en tot hun gemiddelde; door de noemer (de spreiding van en ) komt altijd tussen en uit. In de praktijk bereken je met de grafische rekenmachine.
bereik van r
Dicht bij is er een sterk positief lineair verband, dicht bij een sterk negatief verband en rond geen lineair verband. Het teken geeft de richting, de grootte de sterkte.
Van zes leerlingen zijn het aantal uren gamen per week () en het gemiddelde rapportcijfer () genoteerd: , , , , , . Maak een spreidingsdiagram, bepaal de correlatiecoëfficiënt en beschrijf de samenhang. Mag je concluderen dat gamen de lagere cijfers veroorzaakt?
Voer de uren in lijst L1 in en de cijfers in lijst L2 en kies de spreidingsdiagram-plot. De puntenwolk loopt van linksboven naar rechtsonder: meer game-uren gaan samen met lagere cijfers, dus de richting is negatief, en de punten liggen vrij strak om een dalende lijn.
Kies de lineaire regressie (zet zo nodig eerst de „diagnostics” aan). Ter controle reken je de teller en noemer van na: de gemiddelden zijn en , de som van de producten van de afwijkingen is , en de spreidingssommen zijn en .
Omdat dicht bij ligt, is er een sterk negatief lineair verband: hoe meer uren gamen, hoe lager gemiddeld het cijfer, en de punten liggen strak om een dalende lijn.
Nee, je mag niet concluderen dat gamen de lagere cijfers veroorzaakt. Een sterke correlatie toont alleen samenhang. Een meespelende variabele, zoals motivatie of tijdsindeling, kan zowel de game-uren als de cijfers beïnvloeden. Voor een oorzakelijke uitspraak is aanvullend onderzoek nodig, bijvoorbeeld een gecontroleerd experiment.
Resultaat: Er is een sterk negatief lineair verband: . Meer game-uren gaan samen met lagere cijfers, maar uit deze correlatie volgt geen oorzakelijk verband — dat zou alleen met aanvullend (experimenteel) onderzoek mogen worden geconcludeerd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van tien leerlingen zijn het aantal uren beeldschermtijd per dag () en hun gemiddelde cijfer () genoteerd. Maak een spreidingsdiagram, bepaal met je grafische rekenmachine de correlatiecoëfficiënt en beschrijf de samenhang (richting en sterkte). Leg uit waarom je hieruit niet mag concluderen dat beeldschermtijd een laag cijfer veroorzaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Regressielijn: water en planthoogte
regressielijn
De regressielijn voorspelt uit : is het hellingsgetal (de verandering in per eenheid ) en het snijpunt met de verticale as. De rekenmachine bepaalt en met de kleinste-kwadratenmethode.
kleinste-kwadratenmethode
Het residu is de verticale afstand van een meetpunt tot de lijn. De regressielijn is de lijn waarvoor de som van de gekwadrateerde residuen het kleinst is; kwadrateren maakt alle bijdragen positief en bestraft grote afwijkingen extra.
hellingsgetal en snijpunt
Uit het minimaliseren van de kwadratensom volgen deze formules. De lijn loopt altijd door het zwaartepunt van de data; in de praktijk laat je de rekenmachine en uitrekenen.
Een bioloog geeft zes planten verschillende hoeveelheden water per dag (, in dL) en meet na vier weken de hoogte (, in cm): , , , , , . Bepaal met de rekenmachine de regressielijn , voorspel de hoogte bij dL en leg uit waarom je niet zomaar de hoogte bij dL mag voorspellen.
Voer de waterhoeveelheden in lijst L1 in en de hoogtes in lijst L2. Maak eventueel eerst de spreidingsdiagram-plot: de punten stijgen van linksonder naar rechtsboven, dus een positief verband.
Kies de lineaire regressie „LinReg()”. De rekenmachine bepaalt en met de kleinste-kwadratenmethode. Ter controle: , , en .
De regressielijn is . Vul in (dat ligt tussen en dL, dus binnen het meetbereik): de voorspelde hoogte is cm. Dit interpoleren is betrouwbaar.
Bij dL geeft de lijn cm, maar dL ligt ver buiten het gemeten bereik van tot dL. Zoveel water zou de plant juist laten verzuipen, zodat het lineaire verband daar niet meer geldt. Deze extrapolatie is dus onbetrouwbaar.
Resultaat: De regressielijn is . Binnen het bereik voorspelt hij bij dL een hoogte van cm. Bij dL geeft de formule cm, maar dat is onbetrouwbare extrapolatie buiten het meetbereik.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een veer hangt de uitrekking (cm) af van de opgehangen massa (g). Bepaal met je grafische rekenmachine de regressielijn , geef de betekenis van in de context, voorspel de uitrekking bij een massa binnen het meetbereik, en leg uit waarom je niet zomaar de uitrekking bij een veel grotere massa mag voorspellen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Binomiale toetsverdeling en kritiek gebied
binomiale toetsverdeling
Onder de nulhypothese is het aantal successen in onafhankelijke pogingen binomiaal verdeeld met succeskans . Met deze verdeling reken je uit hoe waarschijnlijk elke uitkomst is als klopt.
kritiek gebied (bovenstaart)
De grenswaarde is de kleinste waarde waarvoor de overschrijdingskans onder niet groter is dan het significantieniveau . Het kritieke gebied bepaal je met binomcdf: .
Een leverancier beweert dat hoogstens van zijn items defect is. Een afnemer vermoedt dat het er meer zijn en controleert een aselecte steekproef van items. Toets op significantieniveau . Bepaal het kritieke gebied en beslis, als er defecte items in de steekproef zitten, of de bewering wordt verworpen.
Noem het aantal defecte items in de steekproef. Onder de bewering geldt en de afnemer vermoedt (eenzijdig, bovenstaart). Onder is .
Zoek de kleinste grenswaarde met , waarbij . Probeer en :
Bij zakt de overschrijdingskans net onder , bij niet. De grenswaarde is dus en het kritieke gebied is : vanaf vijf defecte items verwerp je .
Er zijn defecte items waargenomen. Omdat , valt de uitkomst in het kritieke gebied, dus verwerp je . Ter controle de p-waarde: , en .
Resultaat: Het kritieke gebied is . Met waargenomen defecte items (p-waarde ) verwerp je : op -niveau is er voldoende bewijs dat méér dan van de items defect is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een fabrikant beweert dat hoogstens 15% van zijn lampen binnen 1000 branduren kapotgaat. Een testlab onderzoekt een aselecte steekproef van 25 lampen. Stel en op, bepaal bij het kritieke gebied met binomcdf en geef aan vanaf hoeveel kapotte lampen je de bewering verwerpt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Verwerpingsgebied bij een linkszijdige toets
toetsingsgrootheid (gemiddelde)
De toetsingsgrootheid zegt hoeveel standaardafwijkingen het steekproefgemiddelde van de nulwaarde af ligt. De noemer is de standaardafwijking van het gemiddelde, , niet die van de losse metingen.
verwerpingsregel (linkszijdig, α= 0,05)
Bij een linkszijdige toets met ligt de grens van het verwerpingsgebied bij (via invNorm). Verwerpingsgebied en p-waarde geven dezelfde beslissing: ligt in het gebied, dan is .
Een machine vult zakken met een afstelwaarde g; de standaardafwijking is bekend, g. Een consumentenorganisatie vermoedt dat de zakken te licht zijn en meet een aselecte steekproef van zakken met gemiddelde g. Toets op significantieniveau .
De organisatie vermoedt te lichte zakken, dus toets je linkszijdig: tegen . Het significantieniveau is .
Onder is normaal verdeeld rond met standaardafwijking . Reken die eerst uit:
Standaardiseer de waarneming en bepaal de linkerstaartkans met normalcdf. Direct met de rekenmachine: .
De p-waarde is kleiner dan , dus verwerp je . Hetzelfde volgt uit het verwerpingsgebied: de grens is (via invNorm) en . Conclusie in context: op -niveau is er voldoende bewijs dat de zakken gemiddeld te licht zijn.
Resultaat: De toetsingsgrootheid is met p-waarde . Omdat (en ), wordt verworpen: op -niveau is er voldoende bewijs dat de zakken gemiddeld minder dan g bevatten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De vulmachine van een frisdrankfabriek is afgesteld op ml met ml. Een aselecte steekproef van blikjes heeft een gemiddelde van ml. Toets op significantieniveau of de blikjes gemiddeld te weinig bevatten: stel en op, bereken en de p-waarde en formuleer de conclusie in de context.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde D (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad