Loading
Loading
Veranderingen vormen domein D van het examenprogramma wiskunde A: je leert hoe je grip krijgt op de manier waaróp een grootheid verandert. In dit onderwerp bouw je de hele ladder op — van de toename tussen twee waarden, via het toenamediagram en de gemiddelde veranderingssnelheid (de helling van de koorde), tot de momentane veranderingssnelheid (de helling van de raaklijn). Dit onderwerp heeft een schoolexamen-accent: het tekenen en lezen van een toenamediagram en het kwalitatief beschrijven van verandering worden vooral in het schoolexamen getoetst, dus presenteer het niet als vaste centraal-examenstof.
4Onderdelenca. 24min leestijd5VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Reken de toenames en de gemiddelde veranderingssnelheid foutloos uit een tabel of formule en herken steeds het teken (stijgen of dalen).
verhoogd niveau
Beschrijf verandering kwalitatief met het toenamediagram en benader de momentane veranderingssnelheid met een steeds kleiner interval — deze vaardigheden worden met name in het schoolexamen getoetst.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Toenametabel met een toenamekolom
toename (differentie)
De toename is het verschil tussen twee opeenvolgende waarden: de latere waarde min de eerdere. Een positieve uitkomst betekent stijgen, een negatieve dalen.
stapgrootte in x
De bijbehorende stap op de horizontale as; bij gelijke stappen (bijvoorbeeld telkens 1 jaar) is deze constant.
Het aantal abonnees van een kanaal is per maand: maand 0: 200, maand 1: 260, maand 2: 350, maand 3: 410, maand 4: 440, maand 5: 450. Bereken alle toenames en beschrijf hoe het aantal abonnees zich ontwikkelt.
Bereken de toename van elke maand ten opzichte van de vorige: 260 − 200 = 60, daarna 350 − 260 = 90, 410 − 350 = 60, 440 − 410 = 30 en ten slotte 450 − 440 = 10.
De toenames zijn 60, 90, 60, 30 en 10. Ze zijn allemaal positief, dus het aantal abonnees stijgt elke maand; er is geen daling en dus geen top.
De grootste sprong zit tussen maand 1 en 2 (een toename van 90). Daarna worden de toenames juist kleiner (60, 30, 10): het aantal blijft groeien, maar de groei vlakt steeds verder af.
Resultaat: Resultaat: de toenames zijn 60, 90, 60, 30 en 10. Het aantal abonnees stijgt elke maand (alle toenames positief), het snelst tussen maand 1 en 2; daarna wordt de groei steeds kleiner, dus de stijging vlakt af.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een weerstation meet de temperatuur (in °C) op vijf opeenvolgende momenten: 12, 15, 19, 18, 14. Bereken alle toenames, benoem per stap of het warmer of kouder wordt en geef aan na welk moment de temperatuur begint te dalen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Toenamediagram van de waterhoogte
hoogte van elke staaf
Elke staaf is even hoog als de toename over dat interval; positief staat boven de as, negatief onder de as.
vuistregel
Bij een recht verband met vaste helling is de toename elke stap gelijk, dus krijg je staven van dezelfde hoogte.
De waterhoogte H (in cm) in een bassin is per uur: t = 0: 20, t = 1: 35, t = 2: 55, t = 3: 60, t = 4: 50, t = 5: 30. Maak het toenamediagram en lees af wanneer de waterhoogte het grootst is.
Trek telkens de vorige waarde af van de volgende: 35 − 20 = 15, 55 − 35 = 20, 60 − 55 = 5, 50 − 60 = −10 en 30 − 50 = −20. De toenames zijn dus 15, 20, 5, −10, −20 over de intervallen 0–1 tot en met 4–5.
Zet de intervallen 0–1, 1–2, 2–3, 3–4 en 4–5 op de horizontale as. Teken de positieve toenames (15, 20, 5) als staven boven de as en de negatieve toenames (−10, −20) als staven onder de as. De hoogste staaf hoort bij interval 1–2.
De staven zijn positief voor 0–1, 1–2 en 2–3 (het water stijgt) en negatief voor 3–4 en 4–5 (het water daalt). De toename wisselt van plus naar min ná interval 2–3, dus de waterhoogte is het grootst op t = 3 (H = 60 cm).
Resultaat: Resultaat: het toenamediagram heeft staven 15, 20, 5, −10 en −20. Omdat de staven van boven naar onder de as omslaan na interval 2–3, is de waterhoogte maximaal op t = 3 (60 cm); de snelste stijging zit in interval 1–2 en de snelste daling in interval 4–5.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het aantal vogels op een eiland is per jaar: jaar 0: 8, jaar 1: 14, jaar 2: 22, jaar 3: 22, jaar 4: 16. Bereken de toenames, teken het toenamediagram met de intervallen op de horizontale as en geef aan in welk jaar de populatie het hoogst is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Koorde bij de kromme y = 0,5x²
gemiddelde veranderingssnelheid = helling van de koorde
De gemiddelde veranderingssnelheid over [a, b] is het verschil van de functiewaarden gedeeld door het verschil van de grenzen; dat is precies de helling van de koorde door de twee randpunten.
Gegeven is f(x) = 0,5x². Bereken de gemiddelde veranderingssnelheid over het interval [2, 6] en interpreteer de uitkomst als de helling van de koorde.
Vul de grenzen in de functie in. Dat geeft de twee punten waardoor de koorde loopt.
De toename in y is f(6) − f(2) = 18 − 2 = 16; de stap in x is 6 − 2 = 4.
De gemiddelde veranderingssnelheid is de toename gedeeld door de stap. Dit is precies de helling van de koorde door (2, 2) en (6, 18).
Resultaat: Resultaat: de gemiddelde veranderingssnelheid over [2, 6] is 4. Dat betekent dat y over dit interval gemiddeld met 4 per eenheid x toeneemt, en dat is precies de helling van de koorde door de punten (2, 2) en (6, 18).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven is de functie . Bereken de gemiddelde veranderingssnelheid over het interval en leg uit dat deze gelijk is aan de helling van de koorde door de punten en .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Raaklijn en koorde bij y = 0,5x²
differentiequotiënt (benadering)
De gemiddelde veranderingssnelheid over het kleine interval [a, a + h]. Laat h naar nul krimpen, dan nadert de uitkomst de momentane veranderingssnelheid in a.
symmetrische benadering
Een vaak nauwkeuriger schatting van de momentane veranderingssnelheid, omdat ze het interval rond a symmetrisch neemt.
Gegeven is f(x) = 0,5x². Benader de momentane veranderingssnelheid in x = 4 door het interval steeds kleiner te maken, en vergelijk je antwoord met de helling van de koorde over [4, 6].
Bereken eerst de gemiddelde veranderingssnelheid over een ruim interval. Met f(4) = 8 en f(6) = 18 geeft dat de helling van de koorde.
Houd het linkerpunt x = 4 vast en neem steeds kleinere h. Bij h = 0,5 gebruik je f(4,5) = 10,125, bij h = 0,1 gebruik je f(4,1) = 8,405.
Neem h = 0,01 met f(4,01) = 8,04005. De rij uitkomsten 5; 4,5; 4,25; 4,05; 4,005 loopt duidelijk naar 4 toe.
Resultaat: Resultaat: de benaderingen 5 → 4,5 → 4,25 → 4,05 → 4,005 lopen naar 4 toe, dus de momentane veranderingssnelheid in x = 4 is ongeveer 4. Dat is de helling van de raaklijn in (4, 8); de koorde over [4, 6] gaf 5 en was te steil omdat het interval te groot was.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven is . Benader de momentane veranderingssnelheid in door het differentiequotiënt uit te rekenen voor , , en , en geef aan naar welk getal de uitkomsten toe lopen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad