Loading
Loading
Bij een exponentieel verband verandert een grootheid telkens met dezelfde groeifactor: je vermenigvuldigt elke stap met hetzelfde getal in plaats van er hetzelfde getal bij op te tellen. In dit onderwerp leer je de beginwaarde en de groeifactor uit een tabel, grafiek of percentage halen, vlot wisselen tussen groeifactor en groeipercentage, een groeifactor omrekenen naar een andere tijdseenheid en met de grafische rekenmachine verdubbelings- en halveringstijden bepalen. Exponentiële verbanden horen bij domein C (Verbanden) en zijn vaste examenstof bij wiskunde A op de HAVO.
4Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: herken een exponentieel verband, bepaal de beginwaarde en de groeifactor, en reken vlot heen en weer tussen groeifactor en groeipercentage.
verhoogd niveau
Verdieping binnen het CE: reken groeifactoren om naar andere tijdseenheden, bepaal verdubbelings- en halveringstijden met de grafische rekenmachine en vergelijk exponentiële met lineaire groei.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Exponentiële groei met groeifactor 1,2
Exponentieel verband
N is de hoeveelheid op tijdstip t, b de beginwaarde (de waarde op t = 0) en g de groeifactor.
Groeifactor uit opeenvolgende waarden
Deel elke waarde door de vorige; bij een exponentieel verband is die uitkomst steeds dezelfde en gelijk aan g.
Een webshop houdt het aantal bezoekers per maand bij. Bij t = 0 zijn het er 250, bij t = 1 maand 300, bij t = 2 maanden 360 en bij t = 3 maanden 432. Toon aan dat de groei exponentieel is, bepaal de beginwaarde en de groeifactor, en stel de formule voor het aantal bezoekers op.
Deel elke waarde door de vorige. Dat geeft 300 gedeeld door 250 is 1,2, daarna 360 gedeeld door 300 is 1,2 en 432 gedeeld door 360 is 1,2. De quotiënten zijn steeds gelijk, dus de groei is exponentieel; bij een lineair verband zouden juist de verschillen gelijk moeten zijn.
De beginwaarde is de waarde op het tijdstip nul. In de tabel staat daar 250, dus de beginwaarde is 250.
Het constante quotiënt is de groeifactor: g = 1,2 (het aantal bezoekers groeit met 20% per maand). Met beginwaarde 250 en groeifactor 1,2 wordt de formule N = 250 · 1,2^t.
Resultaat: De groei is exponentieel met beginwaarde 250 en groeifactor 1,2; de formule is N = 250 · 1,2^t. Daarmee bereken je elk gewenst aantal bezoekers, bijvoorbeeld na 6 maanden: 250 · 1,2^6 ≈ 746 bezoekers.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een tabel geeft het aantal leden van een sportclub: bij t = 0 zijn het er 200, bij t = 1 jaar 240, bij t = 2 jaar 288 en bij t = 3 jaar 345,6. Toon aan dat de groei exponentieel is, bepaal de beginwaarde en de groeifactor, en stel de formule voor het aantal leden op.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Percentage en groeifactor naast elkaar
Groeifactor bij een toename van p%
Je telt het deel dat erbij komt (p procent) op bij de hele beginhoeveelheid (de 1).
Groeifactor bij een afname van p%
Bij een afname blijft (100 − p) procent over; de groeifactor ligt dan tussen 0 en 1.
Percentage uit de groeifactor
Een positieve uitkomst is een toename, een negatieve uitkomst een afname.
Een dorp telt 8000 inwoners en het inwonertal groeit met 3% per jaar. Stel een formule op voor het aantal inwoners na t jaar en bereken het aantal inwoners na 10 jaar.
Het gaat om een toename van 3% per jaar, dus de groeifactor is 1 + 3/100 = 1,03.
De beginwaarde is 8000 inwoners (op het tijdstip nul). Met groeifactor 1,03 wordt de formule N = 8000 · 1,03^t, met t in jaren.
Vul t = 10 in. De rekenmachine geeft 1,03^10 ≈ 1,3439, dus N ≈ 8000 · 1,3439 ≈ 10751. Reken samengesteld met de macht; tien keer 3% (samen 30%) zou hier een te lage uitkomst geven.
Resultaat: Na 10 jaar telt het dorp ongeveer 10 751 inwoners. Dat is ruim 34% meer dan de beginwaarde, terwijl tien keer 3% (30%) een duidelijke onderschatting zou zijn — het gevolg van groei-op-groei.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De huur van een woning is € 800 per maand en stijgt elk jaar met 4%. Bepaal de groeifactor, stel een formule op voor de huur na t jaar en bereken de huur na 6 jaar. Geef ook in procenten aan hoeveel de huur in die 6 jaar in totaal is gestegen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Jaargroeifactor en maandgroeifactor
Omrekenen naar een andere tijdseenheid
In de exponent staat hoeveel oude tijdseenheden er in één nieuwe tijdseenheid passen.
Van jaar naar maand
Eén maand is een twaalfde jaar, dus neem je de twaalfdemachtswortel van de jaargroeifactor.
Controle (terug naar het jaar)
Twaalf maandgroeifactoren samen vermenigvuldigd geven de jaargroeifactor; zo controleer je je omrekening.
Een spaarrekening levert 5% rente per jaar op. Bepaal de maandgroeifactor en het bijbehorende maandpercentage.
Een toename van 5% per jaar hoort bij een jaargroeifactor van 1 + 5/100 = 1,05.
Eén maand is een twaalfde jaar, dus neem je de macht 1/12: de maandgroeifactor is 1,05 tot de macht (1/12) ≈ 1,00407. Deel níét door 12 — door groei-op-groei moeten twaalf maandfactoren samen 1,05 opleveren, en 1,00407 tot de macht 12 is inderdaad ongeveer 1,05.
Met p = (g − 1) · 100 vind je (1,00407 − 1) · 100 ≈ 0,41. De rekening groeit dus met ongeveer 0,41% per maand — iets minder dan 5% gedeeld door 12 (ongeveer 0,42%), precies door het samengestelde effect.
Resultaat: De maandgroeifactor is ongeveer 1,00407 en dat komt overeen met een toename van ongeveer 0,41% per maand. Ter controle: 1,00407 tot de macht 12 is ongeveer 1,05, precies de jaargroeifactor.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een belegging groeit met 8% per jaar. Bepaal de maandgroeifactor en bereken met hoeveel procent de belegging per maand groeit. Controleer je antwoord door de maandgroeifactor tot de macht 12 te verheffen en te kijken of je weer op de jaargroeifactor uitkomt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Halveringstijd bij exponentiële afname
Vergelijking voor de verdubbelingstijd
De beginwaarde valt weg; je zoekt de tijd waarvoor de hoeveelheid twee keer zo groot is.
Vergelijking voor de halveringstijd
Hier zoek je de tijd waarvoor nog de helft over is; los op met de grafische rekenmachine.
Exponentiële groei haalt lineaire groei in
Een medicijn heeft een beginconcentratie van 800 mg in het bloed. De concentratie daalt met 15% per uur. Bepaal de halveringstijd: na hoeveel uur is nog de helft van de beginconcentratie over?
Een afname van 15% per uur hoort bij een groeifactor van 1 − 15/100 = 0,85; per uur blijft 85% over. De concentratie is dus C = 800 · 0,85^t, met de tijd t in uren.
De helft van 800 is 400. Je zoekt dus de tijd waarvoor 800 · 0,85^t = 400. Deel beide kanten door 800, dan valt de beginwaarde weg en houd je 0,85^t = 0,5 over — de halveringstijd hangt dus niet van de beginconcentratie af.
Voer als eerste grafiek 0,85 tot de macht X in en als tweede grafiek 0,5, en bepaal het snijpunt. Inklemmen kan ook: 0,85 tot de macht 4 ≈ 0,52 (nog te groot) en 0,85 tot de macht 5 ≈ 0,44 (al te klein), dus de tijd ligt tussen 4 en 5. Verfijnen geeft ongeveer 4,3.
Resultaat: De halveringstijd is ongeveer 4,3 uur: elke 4,3 uur halveert de concentratie, ongeacht het beginniveau. Na ongeveer 4,3 uur is dus nog 400 mg over, na nog eens 4,3 uur 200 mg, enzovoort.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een belegging van € 5000 groeit met 6% per jaar. Bepaal met de grafische rekenmachine in hoeveel jaar de belegging is verdubbeld. Geef je antwoord in één decimaal nauwkeurig en leg uit waarom de beginwaarde van € 5000 voor deze vraag niet uitmaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad