Loading
Loading
Een lineair verband heeft de vorm y = a·x + b: de startwaarde b is het snijpunt met de verticale as en de richtingscoëfficiënt a is de vaste toename per stap, waardoor de grafiek een rechte lijn is. In dit onderwerp leer je zulke formules opstellen, de helling uit twee punten berekenen en met een lineair model interpoleren (schatten binnen de meetgegevens) en extrapoleren (voorspellen erbuiten). Je sluit af met het vergelijken van twee lineaire modellen via hun snijpunt — het omslag- of break-evenpunt — om een onderbouwd advies te geven.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: stel lineaire formules op uit een context, bereken de helling uit twee punten, lees of bereken functiewaarden af en gebruik een lineair model om te interpoleren en te extrapoleren.
verhoogd niveau
Voor verdieping: beoordeel kritisch wanneer extrapoleren met een lineair model nog verantwoord is en vergelijk twee lineaire modellen via hun snijpunt tot een onderbouwd advies.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Lineair verband: het regenton-model
lineair verband
Hierin is b de startwaarde (de waarde van y bij x = 0, het snijpunt met de y-as) en a de richtingscoëfficiënt (de vaste toename van y per stap van 1 in x).
regenton-model
Startwaarde b = 5 liter (water bij het begin) en richtingscoëfficiënt a = 3 liter per uur; dit is het verband uit het uitgewerkte voorbeeld en de figuur.
In een regenton zit aan het begin van een bui al 5 liter water. Tijdens de bui stroomt er 3 liter per uur bij. Stel een formule op voor de hoeveelheid water y (in liter) na x uur, en bereken hoeveel water er na 5 uur in de ton zit.
Kijk naar het begin van de situatie, het moment x = 0. Aan het begin van de bui zit er al 5 liter in de ton, dus de startwaarde is b = 5. Dat is meteen het snijpunt van de grafiek met de y-as.
Bekijk hoeveel y per stap verandert. Er stroomt elk uur 3 liter bij — een vaste toename per uur — dus de richtingscoëfficiënt is a = 3 (liter per uur).
Vul a en b in het standaardverband y = a·x + b in. Met a = 3 en b = 5 ontstaat de formule voor de hoeveelheid water y na x uur.
Voorspel de hoeveelheid water na 5 uur door x = 5 in te vullen. Vermenigvuldig eerst (3 × 5 = 15) en tel daarna de startwaarde van 5 erbij op.
Resultaat: De formule is y = 5 + 3x, met startwaarde b = 5 en richtingscoëfficiënt a = 3. Na 5 uur zit er 20 liter in de regenton; dat hoort bij het punt (5, 20) op de grafiek.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een fietsenmaker rekent voor een reparatie 15 euro voorrijkosten plus 8 euro per kwartier arbeid. Stel een formule op voor de totale kosten y (in euro) bij x kwartier arbeid, benoem de startwaarde en de richtingscoëfficiënt, en bereken de kosten bij 3 kwartier arbeid.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Helling uit twee punten
richtingscoëfficiënt uit twee punten
De verandering van y (teller) gedeeld door de bijbehorende verandering van x (noemer); kies in teller en noemer dezelfde volgorde van de punten.
helling van de autorit
Met de punten (2, 240) en (5, 60): de resterende afstand daalt met 60 km per uur, dus a is negatief.
Een auto rijdt met constante snelheid naar een bestemming. Na 2 uur is de resterende afstand 240 km; na 5 uur is die nog 60 km. Bereken de richtingscoëfficiënt, interpreteer wat die in deze situatie betekent, en stel de formule voor de resterende afstand y (in km) na x uur op.
Noteer de gegevens als coördinaten (x, y), met x de tijd in uur en y de resterende afstand in km. Na 2 uur is de afstand 240 km, na 5 uur nog 60 km.
Deel de verandering in y door de verandering in x. Houd in teller en noemer dezelfde volgorde aan (punt 2 min punt 1).
De helling is −60. Het getal 60 betekent dat de resterende afstand met 60 km per uur afneemt; het minteken hoort bij een dalende grafiek — de auto rijdt naar de bestemming toe en komt dus dichterbij.
Vul een van de punten, bijvoorbeeld (2, 240), in y = a·x + b in en los op naar b. Schrijf daarna de volledige formule.
Resultaat: De richtingscoëfficiënt is a = −60 km per uur (de afstand daalt), en de formule is y = 360 − 60x. Bij x = 0 geeft de formule y = 360: de afstand aan het begin van de rit. Ter controle: bij x = 5 geeft de formule 360 − 300 = 60, precies het tweede gegeven punt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van een lineair verband zijn twee punten bekend: bij x = 4 hoort y = 30 en bij x = 9 hoort y = 10. Bereken de richtingscoëfficiënt, beredeneer of de grafiek stijgt of daalt, en stel de formule y = a·x + b op.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Interpoleren en extrapoleren
lineair model (x = aantal jaren)
Het ledenmodel uit het voorbeeld: startwaarde 50 leden en een toename van 15 leden per jaar; gebaseerd op metingen van jaar 0 tot en met jaar 6.
extrapolatie naar jaar 10
Volgens het model 200 leden in jaar 10 — maar jaar 10 ligt buiten het meetgebied (tot jaar 6), dus dit is een onzekere voorspelling.
Een sportvereniging telt aan het begin (jaar 0) 50 leden en groeit de eerste jaren met ongeveer 15 leden per jaar. De ledenaantallen zijn bijgehouden van jaar 0 tot en met jaar 6. Gebruik het model L = 50 + 15·x om het aantal leden in jaar 3 te schatten en in jaar 10 te voorspellen, en beredeneer welke van de twee schattingen betrouwbaarder is.
De ledenaantallen zijn bijgehouden van jaar 0 tot en met jaar 6. Jaar 3 valt binnen dat bereik (dat wordt interpoleren); jaar 10 valt erbuiten (dat wordt extrapoleren).
Vul x = 3 in het model L = 50 + 15·x in. Omdat 3 tussen de metingen ligt, is dit een betrouwbare schatting.
Vul x = 10 in hetzelfde model in. Let op: 10 ligt voorbij de laatste meting (jaar 6), dus dit is extrapoleren.
De schatting voor jaar 3 (ongeveer 95 leden) is betrouwbaar, want hij ligt ingesloten tussen echte metingen. De voorspelling voor jaar 10 (200 leden) is onzeker: ze gaat ervan uit dat de groei van 15 leden per jaar onverminderd doorgaat, terwijl een vereniging een maximale omvang heeft en de groei in werkelijkheid kan afvlakken.
Resultaat: Jaar 3: ongeveer 95 leden — interpolatie, betrouwbaar. Jaar 10: volgens het model 200 leden — extrapolatie, onzeker omdat we aannemen dat het lineaire verband ook ver buiten de metingen blijft gelden. Interpoleren binnen het meetgebied is veiliger dan extrapoleren erbuiten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een webwinkel houdt het aantal bestellingen per week bij gedurende de eerste 8 weken na de start; dit groeit ongeveer lineair volgens B = 40 + 12·x, met x de week. Voorspel het aantal bestellingen in week 5 en in week 20. Geef bij elke schatting aan of je interpoleert of extrapoleert en hoe betrouwbaar ze is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het omslagpunt van twee aanbieders
kosten aanbieder A
Vaste kosten 20 euro plus 0,50 euro per eenheid; A heeft de hoogste startwaarde maar het laagste tarief per eenheid.
kosten aanbieder B
Vaste kosten 10 euro plus 1,50 euro per eenheid; B heeft de laagste startwaarde maar het hoogste tarief per eenheid.
omslagpunt: kosten gelijkstellen
Stel de twee kostenformules aan elkaar gelijk om de omslagwaarde van x te vinden.
Twee aanbieders rekenen voor hetzelfde aantal eenheden x verschillend af. Aanbieder A: 20 euro vaste kosten plus 0,50 euro per eenheid. Aanbieder B: 10 euro vaste kosten plus 1,50 euro per eenheid. Bepaal bij welk aantal eenheden beide even duur zijn (het omslagpunt) en adviseer welke aanbieder voordeliger is.
Aanbieder A heeft 20 euro vaste kosten en 0,50 euro per eenheid; aanbieder B heeft 10 euro vaste kosten en 1,50 euro per eenheid. Met x het aantal eenheden en K de kosten in euro geeft dat twee lineaire modellen.
Het omslagpunt is het aantal eenheden waarbij beide aanbieders evenveel kosten. Stel daarvoor de kosten van A gelijk aan die van B.
Breng de x-termen naar één kant en de getallen naar de andere. Trek 0,50·x van beide kanten af en 10 van beide kanten, en deel daarna.
Vul x = 10 in één van de formules in voor de kosten op het omslagpunt; beide geven 25 euro. Vergelijk daarna links en rechts van het omslagpunt: bij minder dan 10 eenheden is B goedkoper (laagste startwaarde), bij meer dan 10 eenheden is A goedkoper (laagste tarief per eenheid).
Resultaat: Het omslagpunt is (10, 25): bij 10 eenheden kosten beide aanbieders 25 euro. Advies: gebruik je structureel minder dan 10 eenheden, kies dan aanbieder B (lagere vaste kosten); gebruik je er meer dan 10, kies dan aanbieder A (lager tarief per eenheid).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Sportschool A vraagt 25 euro inschrijfgeld plus 20 euro per maand; sportschool B vraagt geen inschrijfgeld maar 30 euro per maand. Stel voor beide een formule voor de totale kosten y na x maanden op, bereken het omslagpunt en adviseer welke sportschool voordeliger is voor wie een jaar (12 maanden) wil sporten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad