Loading
Loading
Deze samenvatting gaat over het tekenen en aflezen van grafieken en over het oplossen van vergelijkingen en ongelijkheden met behulp van grafieken. Je leert een vergelijking f(x) = g(x) opvatten als het snijpunt van twee grafieken — in wiskunde A meestal bepaald met de grafische rekenmachine via „intersect” — en een ongelijkheid als de vraag voor welke x de ene grafiek boven de andere ligt. Tot slot leer je een grafiek interpreteren: waar hij stijgt of daalt, waar een maximum of minimum ligt en wat de bijzondere punten in een context betekenen.
4Onderdelenca. 25min leestijd5VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: teken en lees grafieken af en los vergelijkingen en ongelijkheden op — vaak met de grafische rekenmachine via het snijpunt (intersect) of door in te klemmen.
verhoogd niveau
Verdieping: los eenvoudige (lineaire) vergelijkingen ook algebraïsch op en redeneer bewust over het verschil tussen een exacte en een benaderde oplossing.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Grafiek van V = 18 − 3t met de snijpunten met de assen
lineair verband
Bij een lineair verband is b de waarde waar de grafiek de verticale as snijdt (vul x = 0 in) en a de richtingscoëfficiënt: de verandering van y bij een toename van x met 1.
Een vat bevat aan het begin 18 liter water; er stroomt elke minuut 3 liter weg, dus V = 18 − 3t (V in liter, t in minuten). Lees de inhoud na 2 minuten af, geef het snijpunt met de verticale as en bereken wanneer het vat leeg is.
Vul t = 2 in de formule in. In de grafiek vind je hetzelfde door bij t = 2 omhoog te gaan tot de lijn en opzij te lezen: na 2 minuten zit er 12 liter in het vat.
Het snijpunt met de verticale as hoort bij t = 0. Invullen geeft de beginhoeveelheid, dus de grafiek snijdt de V-as in (0, 18).
Het vat is leeg als V = 0. Los de vergelijking op: uit 18 − 3t = 0 volgt 3t = 18, dus t = 6. De grafiek snijdt de t-as in (6, 0): na 6 minuten is het vat leeg.
Resultaat: Na 2 minuten zit er 12 liter in het vat, de grafiek snijdt de verticale as in (0, 18) — de beginhoeveelheid — en de horizontale as in (6, 0): na 6 minuten is het vat leeg.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een vat bevat V liter water, met V = 18 − 3t en t de tijd in minuten. Schets de grafiek, lees de inhoud bij t = 2 af, bepaal het snijpunt met de verticale as en bereken na hoeveel minuten het vat leeg is (het snijpunt met de horizontale as).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Snijpunt van f(x) = 2 + x en g(x) = 8 − x
vergelijking als snijpunt
Op het snijpunt van de grafieken van f en g zijn beide functiewaarden gelijk; de x-coördinaat van dat snijpunt is de oplossing van de vergelijking.
Los op: 2 + x = 8 − x. Vat de linker- en de rechterkant op als de grafieken f(x) = 2 + x en g(x) = 8 − x en bepaal het snijpunt.
Noem de linkerkant f(x) = 2 + x (een stijgende lijn) en de rechterkant g(x) = 8 − x (een dalende lijn). De oplossing van de vergelijking is de x waar deze twee grafieken elkaar snijden.
Met de grafische rekenmachine voer je y1 = 2 + x en y2 = 8 − x in en gebruik je „intersect” (kies een startwaarde dicht bij x = 3, waar de grafieken kruisen). De machine geeft het snijpunt (3, 5). Hier kan het algebraïsch ook: uit 2 + x = 8 − x volgt 2x = 6.
De x-coördinaat van het snijpunt is de oplossing: x = 3. De bijbehorende y-waarde vind je door x = 3 in te vullen: f(3) = 5, en g(3) = 8 − 3 = 5 geeft hetzelfde. Het snijpunt is dus (3, 5).
Resultaat: De oplossing van 2 + x = 8 − x is x = 3; op dat punt hebben beide grafieken de waarde 5, dus ze snijden elkaar in (3, 5). Hier is de oplossing exact; bij ingewikkelder vergelijkingen geeft de rekenmachine een benaderde waarde die je afrondt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven zijn f(x) = 2 + x en g(x) = 8 − x. Los de vergelijking f(x) = g(x) op met behulp van het snijpunt van de twee grafieken en geef ook de bijbehorende y-waarde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Gebied waar f(x) = 2 + x boven g(x) = 8 − x ligt
ongelijkheid
Het oplossingsgebied bestaat uit alle x waarvoor de grafiek van f boven die van g ligt; de grens is het snijpunt, waar f(x) = g(x).
Oplossingsinterval van f(x) > g(x)
Gegeven f(x) = 2 + x en g(x) = 8 − x. Voor welke x geldt f(x) > g(x)? Geef het antwoord als een interval.
f en g zijn even groot waar ze elkaar snijden. Uit 2 + x = 8 − x volgt x = 3 (met de rekenmachine geeft „intersect” het snijpunt (3, 5)). Het snijpunt ligt dus bij x = 3; dat is de grenswaarde.
Kies een controlegetal rechts van 3, bijvoorbeeld x = 4: dan is f(4) = 6 en g(4) = 4. Omdat 6 groter is dan 4, ligt f daar boven g. Voor alle x groter dan 3 geldt dus f(x) > g(x).
Het gebied waar f boven g ligt, is x > 3. Omdat het ongelijkteken streng is (>), hoort de grenswaarde x = 3 er niet bij: daar zijn f en g gelijk. De oplossing is dus x > 3, met een open grens bij 3.
Resultaat: Voor x > 3 ligt de grafiek van f boven die van g, dus de oplossing van f(x) > g(x) is x > 3. De grenswaarde 3 (het snijpunt) telt niet mee, want daar geldt f(x) = g(x).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven f(x) = 2 + x en g(x) = 8 − x. Bepaal met behulp van de grafieken voor welke x geldt dat f(x) > g(x). Geef het antwoord als een interval en geef aan of de grenswaarde meetelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Winstgrafiek W = 20 − (x − 4)² met de top
winst en optimale prijs
Een kwadraat is nooit negatief, dus W is het grootst als (x − 4)² gelijk is aan 0, en dat is bij x = 4; de top is dan (4, 20). De min vóór het kwadraat maakt het een bergparabool met een maximum.
De winst W (in duizend euro) bij een verkoopprijs van x euro is W = 20 − (x − 4)². Lees de maximale winst af, bepaal bij welke prijs die wordt bereikt en interpreteer het resultaat.
De grafiek van W = 20 − (x − 4)² is een bergparabool: door de min vóór de kwadraatterm opent de parabool naar beneden, dus de grafiek heeft een hoogste punt — een maximum.
Een kwadraat is nooit negatief, dus (x − 4)² is het kleinst — namelijk 0 — als x = 4. Dan is W zo groot mogelijk: W = 20. De top ligt dus bij (4, 20). Met de grafische rekenmachine vind je hetzelfde via de functie „maximum”.
De top (4, 20) betekent: de winst is maximaal bij een verkoopprijs van € 4, en die maximale winst bedraagt 20 duizend euro, dus € 20.000. Links van de top (voor x < 4) stijgt de winst nog als de prijs stijgt; rechts van de top (voor x > 4) daalt de winst weer.
Resultaat: De maximale winst is 20 (duizend euro), oftewel € 20.000, en die wordt bereikt bij een prijs van € 4 — de top (4, 20). Voor prijzen lager dan € 4 stijgt de winst nog; voor hogere prijzen daalt hij.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De winst W (in duizend euro) bij een verkoopprijs van x euro is W = 20 − (x − 4)². Bepaal de maximale winst en de prijs waarbij die wordt bereikt, en leg uit voor welke prijzen de winst stijgt en voor welke hij daalt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad