Loading
Loading
In wiskunde A is de tabel een van de vier manieren om een verband weer te geven, naast een formule, een grafiek en woorden. In dit onderwerp leer je waarden uit een tabel aflezen en tussenliggende waarden schatten door te interpoleren, zelf een tabel maken bij een formule (met de hand en met de grafische rekenmachine), en aan een tabel zien of een verband lineair of exponentieel is. Ten slotte lees je kruis- en frequentietabellen en leer je er voorzichtig conclusies uit te trekken — vaardigheden die in vrijwel elke contextopgave van het centraal examen terugkomen.
4Onderdelenca. 25min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 2
basisniveau
Voor het CE: lees waarden en totalen uit een tabel af, interpoleer waar nodig, maak een tabel bij een formule en herken in een tabel een lineair of exponentieel verband.
verhoogd niveau
Verdieping: ga vlot heen en weer tussen tabel, formule en grafiek, beredeneer welk verband bij gegeven data past en formuleer bij kruistabellen zorgvuldige, niet te stellige conclusies.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Gemeten temperatuur per tijdstip
lineair interpoleren
Schat de uitvoer y bij een invoer x die tussen twee tabelpunten (x₁, y₁) en (x₂, y₂) in ligt: tel hetzelfde deel van het verschil in uitvoer bij y₁ op als het deel van de stap dat x heeft afgelegd.
Gebruik de tabel met de gemeten temperatuur. Lees de temperatuur om 12:00 uur af, en schat met interpolatie de temperatuur om 11:00 uur.
De linkerkolom is de tijd in uren, de rechterkolom de temperatuur in °C. Zoek in de tijdkolom de waarde 12; in dezelfde rij staat 22. Om 12:00 uur is het dus 22 °C — een exacte tabelwaarde, daar hoef je niet voor te rekenen.
De tijd 11 staat niet in de tabel, maar ligt tussen de metingen om 10:00 uur (17 °C) en om 12:00 uur (22 °C). Neem dus de tabelpunten (10, 17) en (12, 22).
Van 10 naar 12 is een stap van 2 uur; het tijdstip 11 ligt op (11 − 10) / (12 − 10) = 0,5 van die stap, dus precies halverwege.
Tel hetzelfde deel van het temperatuurverschil bij de ondergrens op. Het verschil is 22 − 17 = 5, en 0,5 · 5 = 2,5, dus de geschatte temperatuur is 17 + 2,5 = 19,5 °C.
Resultaat: Om 12:00 uur is het 22 °C (afgelezen) en om 11:00 uur naar schatting 19,5 °C (geïnterpoleerd). Omdat 11:00 uur precies tussen twee metingen ligt, is 19,5 het gemiddelde van 17 en 22 — een handige controle op je interpolatie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een tabel staat de gemeten waterhoogte (in cm) in een vijver op verschillende dagen: dag 0 → 40, dag 5 → 52, dag 10 → 61, dag 15 → 67. Lees de hoogte op dag 10 af en schat met interpolatie de hoogte op dag 8.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Tabel bij de formule L = 18 − 3t
lineaire formule (voorbeeld)
De lengte L (cm) van een opbrandende kaars na t uur. Elke ingevulde t geeft één tabelwaarde, en elke stap van 1 uur verlaagt L met 3 cm.
Gegeven is L = 18 − 3t, met t de tijd in uren en L de lengte van een kaars in cm. Stel een tabel op voor t = 0, 1, 2, 3, 4.
De opgave geeft de invoerwaarden: t = 0, 1, 2, 3, 4, met een vaste stap van 1 uur. Maak een tabel met een kolom (of rij) voor t en een voor L.
Bereken per t eerst 3 · t en trek dat van 18 af. t = 0 geeft L = 18 − 0 = 18; t = 1 geeft L = 18 − 3 = 15; t = 2 geeft L = 18 − 6 = 12; t = 3 geeft L = 18 − 9 = 9; t = 4 geeft L = 18 − 12 = 6.
Elke stap van 1 in t verlaagt L met 3 cm (18, 15, 12, 9, 6); die vaste afname bevestigt dat je goed gerekend hebt. Met de grafische rekenmachine krijg je dezelfde tabel via Y1 = 18 − 3X, TblStart = 0 en ΔTbl = 1.
Resultaat: De tabel is t = 0, 1, 2, 3, 4 met L = 18, 15, 12, 9, 6 (cm). De gelijke afname van 3 cm per uur laat zien dat het verband lineair is — precies het soort herkenning dat in de volgende paragraaf centraal staat.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf rekent voor een bezorging vaste kosten plus een bedrag per kilometer: K = 4 + 1,5 · d, waarbij d de afstand in kilometer is en K de kosten in euro. Stel een tabel op voor d = 0, 2, 4, 6, 8 km, met de hand of met de tabelfunctie van je grafische rekenmachine.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Lineaire tabel met eerste differenties
lineair verband
Past bij een tabel met constante eerste differenties; a is de vaste toename per stap, b de waarde bij x = 0.
exponentieel verband
Past bij een tabel met een constant quotiënt; b is de beginwaarde bij x = 0 en g de groeifactor (g > 1 betekent groei, 0 < g < 1 betekent afname).
groeifactor uit de tabel
Deel elke uitkomst door de vorige; is dit quotiënt steeds gelijk, dan is dat de groeifactor g.
Exponentiële tabel met groeifactor
Bij x = 0, 1, 2, 3, 4 hoort y = 16, 24, 36, 54, 81. De x-waarden lopen met gelijke stappen op. Beredeneer of het verband lineair of exponentieel is en geef de toename of de groeifactor.
De x-waarden zijn 0, 1, 2, 3, 4: gelijke stappen van 1. Pas dan mag je de uitkomsten met elkaar vergelijken.
Trek elke y van de volgende af: 24 − 16 = 8, 36 − 24 = 12, 54 − 36 = 18, 81 − 54 = 27. De verschillen 8, 12, 18, 27 zijn niet gelijk, dus het verband is niet lineair.
Deel elke y door de vorige: 24 : 16 = 1,5, 36 : 24 = 1,5, 54 : 36 = 1,5, 81 : 54 = 1,5. Het quotiënt is steeds 1,5, dus het verband is exponentieel met groeifactor 1,5.
De beginwaarde bij x = 0 is b = 16, dus de formule is y = 16 · 1,5^x. Controle bij x = 2: 16 · 1,5² = 16 · 2,25 = 36, precies de tabelwaarde.
Resultaat: De eerste differenties (8, 12, 18, 27) zijn ongelijk, maar de quotiënten zijn alle 1,5. Het verband is dus exponentieel met groeifactor 1,5 (een toename van 50% per stap), met formule y = 16 · 1,5^x.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een tabel hoort bij t = 0, 1, 2, 3 achtereenvolgens N = 200, 170, 144,5, 122,825. De t-waarden lopen met gelijke stappen op. Onderzoek of het verband lineair of exponentieel is, en geef de toename of de groeifactor.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kruistabel met rij- en kolomtotalen
relatieve frequentie
Deel het aantal in de cel door het juiste totaal — rijtotaal, kolomtotaal of eindtotaal, afhankelijk van de vraag — en vermenigvuldig met 100%.
Gebruik de kruistabel van geslacht (jongen / meisje) tegen sport (ja / nee), met eindtotaal 200. Bereken welk deel (in procenten) van de meisjes aan sport doet en welk deel van álle leerlingen aan sport doet, en vergelijk dit met de jongens.
Voor de meisjes: de cel „meisje, sport: ja” is 48 en het rijtotaal van de meisjes is 80. Voor alle leerlingen: het kolomtotaal „sport: ja” is 126 en het eindtotaal is 200.
Deel door het rijtotaal van de meisjes: 48 : 80 = 0,60, dus 60% van de meisjes doet aan sport.
Deel het kolomtotaal van de sporters door het eindtotaal: 126 : 200 = 0,63, dus 63% van alle leerlingen doet aan sport.
Bij de jongens: 78 : 120 = 0,65 = 65%. Onder de jongens (65%) doet dus een groter deel aan sport dan onder de meisjes (60%); over alle leerlingen samen is het 63%. Formuleer voorzichtig: dit geldt voor deze onderzochte groep.
Resultaat: Van de meisjes doet 60% aan sport, van alle leerlingen 63% en van de jongens 65%. Het juiste totaal in de noemer verschilt per vraag (rijtotaal, eindtotaal, rijtotaal), en de conclusie „de jongens sporten hier vaker” geldt voor deze steekproef, niet als algemene wet.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een kruistabel verdeelt 150 klanten naar leeftijdsgroep (jong / oud) en aankoop (online / in de winkel). Van de jongeren (90 in totaal) kochten er 63 online; van de ouderen (60 in totaal) 24 online. Bereken welk percentage van de jongeren online kocht, welk percentage van de ouderen online kocht, en welk percentage van álle klanten online kocht. Interpreteer het verschil voorzichtig.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad