Loading
Loading
Een onderzoeker kan zelden de hele populatie meten, dus trekt hij een aselecte steekproef en doet op grond daarvan een uitspraak over het geheel. In dit onderwerp leer je waarom een steekproef representatief en aselect moet zijn, hoe steekproefproporties door toeval rond de populatieproportie variëren, en hoe je met de HAVO-vuistregel voor de foutmarge (ongeveer 1 gedeeld door de wortel van de steekproefgrootte) een 95%-betrouwbaarheidsinterval opstelt en eerlijk interpreteert. Het hoort tot domein E (Statistiek en kansrekening) en is centraal-examenstof; de foutmarge 1/√n gebruik je daarbij als vuistregel, niet als exacte formule.
4Onderdelenca. 26min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: bereken met de vuistregel 1/√n de foutmarge en het 95%-betrouwbaarheidsinterval van een steekproefproportie, en trek er een voorzichtige conclusie uit.
verhoogd niveau
Verdieping/SE: beredeneer waarom de foutmarge met 1/√n daalt en hoe steekproefgrootte, betrouwbaarheid en nauwkeurigheid elkaar uitruilen, en beoordeel de representativiteit van een bron systematisch.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Van populatie naar uitspraak
Een supermarktketen wil weten hoe tevreden al haar klanten zijn. Ze legt op één drukke zaterdagmiddag in één vestiging aan iedereen die naar buiten loopt een tevredenheidsvraag voor en ondervraagt zo 200 klanten. Beoordeel of deze steekproef representatief en aselect is en leg uit hoe het beter kan.
De populatie is álle klanten van de hele keten; de steekproef bestaat uit de 200 ondervraagde klanten in één vestiging op één zaterdagmiddag.
Eén vestiging en één moment vertegenwoordigen de keten niet: zaterdagmiddagklanten (gezinnen, weekendboodschappen) verschillen van doordeweekse of avondklanten, en de ene vestiging van de andere. Bepaalde klantgroepen vallen stelselmatig buiten de steekproef, dus de steekproef is niet representatief.
Er is niet aselect getrokken: niet elke klant van de keten had een even grote kans om gevraagd te worden — wie nooit op zaterdag of nooit in déze vestiging komt, had kans nul. De keuze van plaats en tijd bepaalt zo de uitkomst.
Trek aselect uit alle klanten van alle vestigingen, gespreid over verschillende dagen en tijdstippen — bijvoorbeeld via een willekeurige greep uit het klantenbestand of uit bonnummers. Zo krijgt iedere klant een gelijke kans en wordt de steekproef representatief.
Resultaat: De steekproef is niet representatief en niet aselect: één vestiging op één zaterdagmiddag sluit hele klantgroepen uit, zodat niet elke klant een gelijke kans had. Een eerlijke uitspraak vereist een aselecte greep uit alle klanten van alle vestigingen, gespreid over dagen en tijden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een schoolkrant wil weten welk percentage van alle leerlingen vóór een latere starttijd is en zet een poll op de website die leerlingen vrijwillig invullen; 380 leerlingen reageren, 70% is vóór. Beoordeel of deze steekproef representatief en aselect is, benoem ten minste één bron van vertekening en leg uit hoe de school de steekproef eerlijker kan trekken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Verdeling van steekproefproporties
steekproefproportie
Tel hoeveel van de n onderzochte leden het kenmerk hebben en deel door n. Met 90 voorstanders op 200 ondervraagden is de steekproefproportie 90/200 = 0,45.
spreiding van de steekproefproportie
De spreiding van de steekproefproportie is omgekeerd evenredig met de wortel van de steekproefgrootte. Vier keer zo'n grote steekproef (de wortel van 4 is 2) halveert daarom de spreiding.
Een poll met een steekproef van n = 100 kiezers geeft, telkens als hij herhaald wordt, nogal verschillende uitkomsten. Beredeneer wat er met de spreiding van de steekproefproportie gebeurt als de steekproef wordt vergroot naar n = 400, en daarna naar n = 900.
De spreiding van de steekproefproportie is omgekeerd evenredig met de wortel van n: een grotere n geeft een kleinere spreiding. Niet n zelf, maar de wortel van n staat in de noemer.
De steekproef wordt vier keer zo groot. In de noemer komt de wortel van 400 (= 20) in plaats van de wortel van 100 (= 10), dus de spreiding wordt 10/20 = de helft. Vier keer zoveel waarnemingen halveert de spreiding.
Nu wordt de steekproef negen keer zo groot. De wortel van 900 is 30 tegen de wortel van 100 (= 10), dus de spreiding wordt 10/30 = een derde van de oorspronkelijke.
De spreiding daalt dus, maar steeds langzamer: voor halveren is vier keer zoveel data nodig, voor een derde negen keer. Elke extra stap nauwkeurigheid kost onevenredig veel meer waarnemingen.
Resultaat: Vergroten van n verkleint de spreiding volgens de wortelregel: van 100 naar 400 (×4) halveert de spreiding, van 100 naar 900 (×9) wordt ze een derde. De winst neemt af — grotere nauwkeurigheid vraagt steeds meer extra waarnemingen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een poll trekt aselect 100 kiezers en herhaalt dat een aantal keren; de gevonden steekproefproporties verschillen telkens. Beredeneer wat er met de spreiding van de steekproefproportie gebeurt als de steekproef wordt vergroot naar 400 en daarna naar 900 kiezers, en leg uit waarom de winst aan nauwkeurigheid steeds kleiner wordt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
95%-betrouwbaarheidsinterval rond de steekproefproportie
foutmarge — HAVO-vuistregel (95%)
Vuistregel voor de foutmarge van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van een proportie: ongeveer 1 gedeeld door de wortel van de steekproefgrootte. Het is een veilige benadering (de bovengrens bij proportie 0,50), geen exacte formule.
95%-betrouwbaarheidsinterval
Neem de steekproefproportie en leg er aan beide kanten de foutmarge omheen: de ondergrens is p-dakje min de marge, de bovengrens p-dakje plus de marge.
In een aselecte steekproef van n = 400 kiezers blijkt 40% (een proportie van 0,40) vóór een voorstel te zijn. Bereken met de vuistregel de foutmarge en stel het 95%-betrouwbaarheidsinterval op. Interpreteer daarna wat het interval betekent.
Van de 400 ondervraagden is 40% vóór, dus de steekproefproportie is 0,40. Dat getal vormt het midden van het interval.
Gebruik m ≈ 1/√n met n = 400. De wortel van 400 is 20, dus de foutmarge is 1/20 = 0,05, oftewel 5 procentpunt.
Leg de foutmarge aan beide kanten van de proportie: 0,40 − 0,05 = 0,35 als ondergrens en 0,40 + 0,05 = 0,45 als bovengrens. Het 95%-interval loopt dus van 0,35 tot 0,45.
Conclusie: we zijn er 95% zeker van dat de werkelijke populatieproportie tussen 35% en 45% ligt. We mogen niet zeggen dat precies 40% vóór is; de schatting heeft een marge van 5 procentpunt naar beide kanten.
Resultaat: De foutmarge is 1/√400 = 0,05 (5 procentpunt), dus het 95%-betrouwbaarheidsinterval loopt van 0,35 tot 0,45. We zijn er 95% zeker van dat de populatieproportie tussen 35% en 45% ligt — niet dat die precies 40% is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een aselecte steekproef van 100 leerlingen geeft 60% aan genoeg te slapen; de steekproef schat de populatieproportie dus op 0,60. Bereken met de vuistregel de foutmarge en het 95%-betrouwbaarheidsinterval, en interpreteer de uitkomst in één zin. Leg ook uit waarom dit interval breder is dan dat van een steekproef van 400 leerlingen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Foutmarge tegen steekproefgrootte
foutmarge daalt met n
De foutmarge is omgekeerd evenredig met de wortel van n: hoe groter de steekproef, hoe kleiner de marge — maar door de wortel steeds langzamer.
viervoudige n halveert de marge
Vervang n door 4n: omdat de wortel van 4n gelijk is aan 2 keer de wortel van n, wordt de foutmarge precies de helft. Een halvering van de marge vraagt dus vier keer zoveel waarnemingen.
Foutmarge bij toenemende steekproefgrootte
Een onderzoek met n = 100 heeft een foutmarge van 1/√100 = 0,10. De opdrachtgever wil de foutmarge halveren tot 0,05. Bereken welke steekproefgrootte daarvoor nodig is, en beredeneer waarom dat geen verdubbeling maar een verviervoudiging van n vergt.
Bij n = 100 is de wortel 10, dus de foutmarge is 1/10 = 0,10.
De gewenste marge is 0,05 = 1/20. Omdat de marge 1/√n is, moet de wortel van n gelijk zijn aan 20, dus n = 20 in het kwadraat = 400.
Van n = 100 naar n = 400 is een verviervoudiging, niet een verdubbeling. Dat klopt met de wortelregel: de marge bevat de wortel van n, en pas de wortel van 4 (= 2) in de noemer halveert de marge. Verdubbelen naar n = 200 zou de marge slechts delen door de wortel van 2 (ongeveer 1,4).
Elke halvering van de foutmarge kost dus vier keer zoveel waarnemingen. Wil je daarna van 0,05 naar 0,025, dan moet n opnieuw vier keer zo groot, van 400 naar 1600.
Resultaat: Om de foutmarge van 0,10 naar 0,05 te halveren is n = 400 nodig, vier keer zoveel als de oorspronkelijke 100. Door de wortel in 1/√n halveert pas een viervoudige steekproef de marge; nauwkeuriger meten wordt daardoor per stap onevenredig duurder.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een peiling onder 400 kiezers geeft een partij 53%, met de vuistregel-foutmarge van 1/√400 = 0,05, dus een 95%-interval van 48% tot 58%. Beoordeel of de partij op grond hiervan zeker een meerderheid (meer dan 50%) heeft, en beredeneer hoe groot de steekproef ongeveer moet zijn om de foutmarge tot 0,025 terug te brengen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad