Loading
Loading
Statistiek met ICT hoort bij domein E (Statistiek) van wiskunde A en draait om het zelfstandig verwerken van data met de grafische rekenmachine of een spreadsheet: kengetallen berekenen, diagrammen maken, verbanden onderzoeken en kansen bij de normale verdeling bepalen. De nadruk ligt op de ICT-vaardigheden zelf, en die zijn met name schoolexamenstof — de onderliggende statistische begrippen komen ook in het centraal examen terug. Je leert de uitkomsten van ICT niet klakkeloos overnemen, maar kritisch controleren en interpreteren.
4Onderdelenca. 24min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: begrijp en interpreteer de statistische begrippen zelf — gemiddelde, standaardafwijking, diagrammen lezen en de normale verdeling — die ook zonder ICT-nadruk worden getoetst.
verhoogd niveau
Voor het SE: voer de ICT-handelingen op (grote) datasets zelfstandig uit — kengetallen, diagrammen, trendlijn en correlatie, en normale-verdelingskansen met grafische rekenmachine of spreadsheet — wat met name schoolexamenstof is.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Kengetallen via 1-Var Stats
gemiddelde
Het gemiddelde is de som van alle waarden gedeeld door het aantal waarden . De grafische rekenmachine of spreadsheet berekent dit met één opdracht.
standaardafwijking (populatie)
De standaardafwijking meet de gemiddelde afstand van de waarden tot het gemiddelde; de grafische rekenmachine toont deze als (delen door ), niet als (delen door ).
De cijfers van 8 leerlingen op een toets zijn: 4, 5, 6, 6, 7, 7, 8, 9. Bepaal met je grafische rekenmachine of spreadsheet het gemiddelde en de standaardafwijking , en geef de vijfgetallensamenvatting. Controleer je antwoord.
Typ de acht cijfers in één lijst van de grafische rekenmachine (bijvoorbeeld in L1) of in één kolom van een spreadsheet. Controleer dat je precies 8 getallen hebt ingevoerd en niets dubbel of verkeerd staat.
Kies de functie voor 1-variabele-statistiek (vaak „1-Var Stats”) en wijs de lijst aan. In een spreadsheet gebruik je een gemiddelde-functie voor en de functie voor de populatie-standaardafwijking voor .
De rekenmachine toont , de populatie-standaardafwijking (gebruik níét ) en . De vijfgetallensamenvatting is: minimum 4, Q1 = 5,5, mediaan 6,5, Q3 = 7,5, maximum 9.
Reken een ruwe controle: het gemiddelde 6,5 ligt netjes tussen 4 en 9, dus dat is plausibel. De som van de gekwadrateerde afwijkingen tot het gemiddelde is 18, dus de standaardafwijking is de wortel van 18 gedeeld door 8. Dat geeft 1,5, gelijk aan wat de rekenmachine toont.
Resultaat: Het gemiddelde is en de standaardafwijking is . De vijfgetallensamenvatting is 4 — 5,5 — 6,5 — 7,5 — 9. De handcontrole (som 52 gedeeld door 8 is 6,5; wortel van 2,25 is 1,5) bevestigt de uitkomst van de ICT.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een trainer noteert de 100-meter-tijden (in seconden) van twaalf sprinters: 12,5 13,0 12,8 13,2 12,9 13,5 12,7 13,1 12,6 13,3 12,8 13,0. Voer de tijden in je grafische rekenmachine of spreadsheet in, bereken het gemiddelde en de standaardafwijking , en geef de vijfgetallensamenvatting. Leg uit hoe je controleert of je geen invoerfout hebt gemaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Histogram reistijd
relatieve frequentie
De relatieve frequentie van een klasse is het deel van alle waarnemingen in die klasse; vermenigvuldig met 100 voor een percentage.
Van 40 leerlingen is de reistijd naar school (in minuten) geturfd in klassen van 10 minuten breed: [0,10): 4, [10,20): 9, [20,30): 12, [30,40): 8, [40,50): 5, [50,60): 2. Maak met ICT een histogram, benoem je instellingen en interpreteer de verdeling.
Voer de gegevens in. Heb je de losse meetwaarden, typ ze dan in één lijst. Heb je alleen de frequentietabel, voer dan de klassenmidden 5, 15, 25, 35, 45, 55 in één lijst in en de bijbehorende frequenties 4, 9, 12, 8, 5, 2 in een tweede lijst (de frequentielijst).
Kies bij de statistische plots het histogram. Stel het venster in: de horizontale as van 0 tot 60 met een stapgrootte van 10 — die stapgrootte bepaalt de klassenbreedte. Zet de verticale as van 0 tot ongeveer 13, zodat de hoogste balk past.
Teken het histogram en loop de balken langs (bijvoorbeeld met de trace-functie) om de frequenties te controleren: 4, 9, 12, 8, 5, 2 — samen 40, gelijk aan het aantal leerlingen. De hoogste balk hoort bij de klasse van 20 tot 30 minuten.
De modale klasse is 20–30 minuten (12 leerlingen, 30%). Er zijn weinig leerlingen met een lange reistijd, dus de staart loopt naar de hoge waarden: de verdeling is rechtsscheef. De meeste leerlingen reizen tussen 10 en 40 minuten.
Resultaat: Het histogram heeft een klassenbreedte van 10 minuten, een modale klasse van 20–30 minuten en een rechtsscheve vorm. De som van de frequenties is 40, gelijk aan het aantal leerlingen, en de relatieve frequentie van de modale klasse is 30%.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een enquête is van 50 leerlingen het aantal uren slaap per nacht geturfd in klassen: [5,6): 3, [6,7): 8, [7,8): 18, [8,9): 15, [9,10): 6. Maak met ICT een histogram, benoem de klassenbreedte en je vensterinstellingen, en interpreteer de vorm van de verdeling.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Spreidingsdiagram met trendlijn
regressielijn
De regressielijn vat de samenhang samen: is de helling (de verandering in per eenheid ) en het snijpunt met de verticale as. ICT bepaalt en met de kleinste-kwadratenmethode.
correlatiecoëfficiënt
De correlatiecoëfficiënt geeft richting en sterkte van een lineair verband: dicht bij sterk positief, dicht bij sterk negatief, rond geen lineair verband.
Van 8 leerlingen zijn het aantal uren dat ze voor een toets leerden (x) en hun cijfer (y) genoteerd: (1, 4), (2, 5), (3, 5), (4, 6), (5, 7), (6, 7), (7, 8), (8, 9). Onderzoek met ICT de samenhang: maak een spreidingsdiagram, bepaal de regressielijn en de correlatiecoëfficiënt, en beoordeel de uitkomst.
Voer de uren in lijst L1 in en de cijfers in lijst L2. Kies de spreidingsdiagram-plot en stel een passend venster in. Je ziet een puntenwolk die van linksonder naar rechtsboven loopt: een positief verband.
Kies de lineaire regressie (vaak „LinReg(ax+b)”). De rekenmachine geeft en , dus de trendlijn is .
Bij de regressie toont de rekenmachine de correlatiecoëfficiënt (zet zo nodig eerst de „diagnostics” aan). Omdat heel dicht bij ligt, is er een sterk positief lineair verband.
De helling 0,68 betekent dat elk extra uur leren samengaat met gemiddeld ongeveer 0,7 punt hoger cijfer — bínnen het bereik van de data. Maar een sterke correlatie bewijst geen oorzaak: misschien zijn gemotiveerde leerlingen die meer leren ook om andere redenen beter. Trek dus geen causale conclusie en extrapoleer niet ver buiten 1 tot 8 uur.
Resultaat: Er is een sterk positief lineair verband () met regressielijn . Meer leeruren gaan samen met hogere cijfers, maar daaruit volgt geen oorzakelijk verband: dat zou je alleen met aanvullend onderzoek mogen concluderen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van tien dagen zijn de gemiddelde temperatuur (°C) en het aantal verkochte ijsjes bij een kiosk genoteerd. Maak met ICT een spreidingsdiagram, bepaal de regressielijn en de correlatiecoëfficiënt, en onderzoek de samenhang. Beoordeel of je hieruit mag concluderen dat warmer weer de ijsverkoop veroorzaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Normale verdeling - 68%-interval
z-score (standaardiseren)
De z-score zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde van het gemiddelde af ligt; hiermee herleid je elke normale verdeling tot de standaardnormale verdeling met en .
De inhoud van pakken vruchtensap is normaal verdeeld met gemiddelde ml en standaardafwijking ml. Bereken met ICT (normalcdf) welk percentage van de pakken tussen 995 ml en 1005 ml bevat, en controleer je antwoord met de 68%-vuistregel.
Noteer , , de ondergrens 995 ml en de bovengrens 1005 ml. Je zoekt de oppervlakte onder de klok tussen die twee grenzen.
Roep de functie normalcdf aan met de ondergrens, de bovengrens, het gemiddelde en de standaardafwijking: normalcdf(995, 1005, 1000, 5). In een spreadsheet trek je twee cumulatieve normale waarden af: het deel onder 1005 min het deel onder 995.
De ICT geeft ongeveer 0,6827. Dat is een kans, dus vermenigvuldig met 100: ongeveer 68,3% van de pakken bevat tussen 995 en 1005 ml.
De grenzen 995 en 1005 zijn precies en (want 1000 − 5 = 995 en 1000 + 5 = 1005). De vuistregel zegt dat ongeveer 68% van de waarden binnen één standaardafwijking van het gemiddelde ligt. De 68,3% van de ICT klopt dus met de vuistregel.
Resultaat: Ongeveer 68% (preciezer 68,3%) van de pakken bevat tussen 995 ml en 1005 ml. Omdat dit precies het interval is, bevestigt de 68%-vuistregel de ICT-uitkomst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De inhoud van flessen frisdrank is normaal verdeeld met ml en ml. Bereken met ICT welk percentage van de flessen minder dan 494 ml bevat, en bepaal met invNorm de inhoud waaronder de 10% minst gevulde flessen vallen. Controleer je eerste antwoord met de vuistregels.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad