Loading
Loading
De normale verdeling is het klokvormige model dat in domein E (Statistiek en kansrekening) centraal staat: veel grootheden uit economie, maatschappij en gezondheid zijn er bij benadering normaal verdeeld. In dit onderwerp leer je de vorm van een frequentieverdeling beschrijven, de normaalkromme met haar parameters μ (ligging) en σ (spreiding) doorgronden, en met de vuistregels (68%, 95%, 99,7%), de z-score en de grafische rekenmachine (normalcdf en invNorm) percentages, kansen en grenswaarden bepalen. De rode draad is steeds: de oppervlakte onder de kromme is de relatieve frequentie of kans.
4Onderdelenca. 29min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE (domein E): herken de vorm van een verdeling, ken de rol van μ en σ in de normaalkromme, pas de vuistregels (68-95-99,7) met symmetrie toe en reken met de z-score en de grafische rekenmachine (normalcdf, invNorm).
verhoogd niveau
Verdieping: standaardiseer naar de standaardnormale verdeling om waarden uit verschillende verdelingen te vergelijken, en reken vlot heen en terug tussen een percentage en een grenswaarde met normalcdf en invNorm.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Histogram: lengte van 66 leerlingen (klokvormig)
relatieve frequentie van een klasse
Deel de frequentie van een klasse door het totale aantal waarnemingen en vermenigvuldig met 100%. Zo weet je welk aandeel van het geheel in die klasse valt; ditzelfde aandeel verschijnt later als de oppervlakte onder de normaalkromme.
Hieronder staat het histogram van de lengte van 66 leerlingen, ingedeeld in klassen van 5 cm. Beschrijf de vorm van de verdeling, bepaal de modale klasse en lees af hoeveel leerlingen tussen de 160 en 175 cm lang zijn.
Op de horizontale as staat de lengte in cm, verdeeld in klassen van 5 cm; verticaal staat de frequentie (het aantal leerlingen per klasse). De staven raken elkaar, dus het is een histogram van een numerieke grootheid.
De staven zijn het hoogst in het midden en lopen vanuit het midden naar beide kanten gelijkmatig af; de linker- en rechterhelft zijn elkaars spiegelbeeld. De verdeling is dus symmetrisch en klokvormig — precies de vorm die naar de normaalkromme leidt.
De modale klasse is de klasse met de hoogste staaf. Dat is de klasse [165, 170) met een frequentie van 22 leerlingen.
Het gebied van 160 tot 175 cm beslaat drie klassen: [160, 165) met 14, [165, 170) met 22 en [170, 175) met 14. Tel de frequenties op: 14 + 22 + 14 = 50 leerlingen.
Resultaat: De verdeling is symmetrisch en klokvormig, de modale klasse is [165, 170) met 22 leerlingen, en 50 van de 66 leerlingen (ongeveer 76%) zijn tussen 160 en 175 cm lang. Door eerst de vorm te benoemen en daarna de frequenties op te tellen, lees je het histogram betrouwbaar af.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een histogram toont de lengte van 66 leerlingen in klassen van 5 cm. De hoogste staaf hoort bij de klasse [165, 170) en vanuit die middelste staaf nemen de staven naar beide kanten gelijkmatig af. Benoem de modale klasse, beschrijf de vorm van de verdeling en lees af hoeveel leerlingen een lengte tussen 165 en 170 cm hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De normaalkromme met top op μ en buigpunten op μ ± σ
buigpunten van de normaalkromme
De normaalkromme heeft haar buigpunten precies op één standaardafwijking links en rechts van het gemiddelde. Zo lees je σ af uit de grafiek: het is de horizontale afstand van de top tot een buigpunt.
oppervlakte is kans
De hele oppervlakte onder de normaalkromme is 1 (100%). De oppervlakte boven een interval is de relatieve frequentie of kans dat een waarneming daarin valt; links en rechts van μ ligt elk 0,5.
Een fabrikant vult pakken suiker. Bij machine A is het vulgewicht normaal verdeeld met μ = 1000 g en σ = 5 g; bij machine B met μ = 1000 g en σ = 12 g. Schets beide normaalkrommen in één assenstelsel en beschrijf hoe de grotere σ van machine B de vorm verandert. Wat betekent dit voor de spreiding van de vulgewichten?
Beide machines hebben μ = 1000 g, dus beide krommen zijn symmetrisch om x = 1000 en hun toppen staan recht boven elkaar op de lijn x = 1000. Het verschil zit dus niet in de ligging, maar uitsluitend in de breedte.
Een kleine σ betekent weinig spreiding, dus een smalle en hoge klok. De buigpunten liggen op μ ± σ = 1000 ± 5, dus bij 995 g en 1005 g. De vulgewichten van machine A klitten dicht om 1000 g.
Een grotere σ betekent meer spreiding, dus een bredere en lagere klok. De buigpunten liggen nu op 1000 ± 12, dus bij 988 g en 1012 g. De kromme is láger dan die van A, want de totale oppervlakte blijft 1: dezelfde ‘hoeveelheid’ oppervlakte wordt over een breder bereik uitgesmeerd, dus de top moet zakken.
Bij machine B liggen de vulgewichten verder van 1000 g af verspreid dan bij machine A. Machine A vult dus constanter (preciezer), machine B grilliger. De grotere σ is precies de maat voor die grotere onnauwkeurigheid.
Resultaat: Beide krommen zijn symmetrisch om 1000 g; machine A geeft een smalle, hoge klok (σ = 5, buigpunten bij 995 en 1005) en machine B een brede, lage klok (σ = 12, buigpunten bij 988 en 1012). Een grotere σ betekent meer spreiding: een bredere, lagere kromme — met dezelfde totale oppervlakte 1. Machine A vult het nauwkeurigst.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee normale verdelingen hebben hetzelfde gemiddelde μ = 50, maar verdeling A heeft σ = 5 en verdeling B heeft σ = 10. Schets beide krommen in één assenstelsel, leg uit welke kromme hoger en smaller is en waarom, en beredeneer waarom beide krommen toch dezelfde totale oppervlakte hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Normaalkromme: 68% binnen μ ± σ
68%-regel (binnen één σ)
Ongeveer 68% van de waarnemingen ligt binnen één standaardafwijking van het gemiddelde. De overige 32% ligt in de twee staarten samen, dus 16% per staart.
95%-regel (binnen twee σ)
Ongeveer 95% ligt binnen twee standaardafwijkingen van het gemiddelde; buiten μ ± 2σ ligt 5%, dus 2,5% per staart.
99,7%-regel (binnen drie σ)
Ongeveer 99,7% — vrijwel alles — ligt binnen drie standaardafwijkingen; buiten μ ± 3σ ligt nog maar 0,3%, dus 0,15% per staart.
Neem aan dat de lengte van volwassen mannen in een grote groep bij benadering normaal verdeeld is met gemiddelde μ = 181 cm en standaardafwijking σ = 7 cm. (a) Welk percentage is langer dan 188 cm? (b) Welk percentage heeft een lengte tussen 174 cm en 195 cm? (c) Hoeveel van 500 mannen zijn naar verwachting langer dan 195 cm?
Reken elke grens om naar een aantal standaardafwijkingen vanaf μ = 181: 188 = 181 + 7 = μ + σ; 174 = 181 − 7 = μ − σ; 195 = 181 + 14 = μ + 2σ. Alle grenzen liggen op hele σ-stappen, dus de vuistregels zijn bruikbaar.
Binnen μ ± σ ligt 68%, dus erbuiten 32%. Door de symmetrie zit daarvan de helft in de rechterstaart: 16%. Ongeveer 16% van de mannen is dus langer dan 188 cm.
Splits het gebied bij μ. Van μ − σ tot μ is de helft van 68% = 34%; van μ tot μ + 2σ is de helft van 95% = 47,5%. Samen is dat 34% + 47,5% = 81,5%.
Buiten μ ± 2σ ligt 5%, dus in de rechterstaart 2,5%. Van 500 mannen is dat 0,025 × 500 = 12,5, dus ongeveer 12 à 13 mannen langer dan 195 cm.
Resultaat: (a) Ongeveer 16% is langer dan 188 cm; (b) ongeveer 81,5% heeft een lengte tussen 174 en 195 cm; (c) ongeveer 2,5% van 500, dus 12 à 13 mannen, is langer dan 195 cm. Door de grenzen eerst in σ-stappen uit te drukken en daarna de symmetrie te gebruiken, vind je alles met de vuistregels.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De wachttijd bij een telefonische helpdesk is bij benadering normaal verdeeld met μ = 4 minuten en σ = 1 minuut. Bepaal met de vuistregels welk percentage van de bellers tussen 3 en 6 minuten wacht, en welk percentage langer dan 6 minuten wacht. Reken bij 800 bellers ook uit hoeveel er naar verwachting langer dan 6 minuten wachten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Rechterstaart van de standaardnormale verdeling vanaf z = 1,57
z-score (afstand tot μ in standaardafwijkingen)
De z-score zegt hoeveel standaardafwijkingen een waarde x boven (z > 0) of onder (z < 0) het gemiddelde ligt. Standaardiseren met de z-score maakt waarden uit verschillende normale verdelingen vergelijkbaar.
van z-score terug naar de waarde
Ken je een z-score, dan vind je de bijbehorende waarde door μ op te tellen bij z keer σ. Zo reken je een gestandaardiseerde grens terug naar de oorspronkelijke schaal.
Voor de lengteverdeling van volwassen mannen geldt μ = 181 cm en σ = 7 cm. (a) Bereken de z-score van een man van 192 cm en bepaal met normalcdf welk percentage langer is dan 192 cm. (b) Boven welke lengte vallen de 10% langste mannen? Gebruik invNorm.
De z-score meet de afstand tot het gemiddelde in standaardafwijkingen: z = (192 − 181) / 7 = 11 / 7 ≈ 1,57. De man is dus ongeveer 1,57 standaardafwijking langer dan gemiddeld — een grens die niet op een hele σ-stap ligt, dus de vuistregels volstaan niet.
Gevraagd is ‘langer dan 192’, dus de rechterstaart. Voer in: normalcdf(192, 10^99, 181, 7) ≈ 0,058, oftewel ongeveer 5,8%. Met de z-score levert normalcdf(1,57; 10^99; 0; 1) hetzelfde op, want standaardiseren verandert de oppervlakte niet.
Bij de 10% langste mannen ligt boven de gezochte grens 10% van de oppervlakte. invNorm rekent echter met de oppervlakte links, en links van de grens ligt dan 100% − 10% = 90%, oftewel 0,90.
Voer in: invNorm(0,90; 181; 7) ≈ 190. De 10% langste mannen zijn dus langer dan ongeveer 190 cm.
Resultaat: (a) De z-score is ongeveer 1,57 en met normalcdf is ongeveer 5,8% langer dan 192 cm. (b) Met invNorm vallen de 10% langste mannen boven ongeveer 190 cm. normalcdf gaat van een grens naar een percentage, invNorm van een percentage terug naar een grens — samen dekken ze elke vraag over de normale verdeling af.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De scores op een toets zijn bij benadering normaal verdeeld met μ = 65 punten en σ = 12 punten. (a) Bereken de z-score van een score van 80 punten en bepaal met normalcdf welk percentage hoger scoort dan 80. (b) De beste 15% krijgt een certificaat; bepaal met invNorm de minimale score die daarvoor nodig is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad