Loading
Loading
Bij data verwerken breng je een ruwe dataset terug tot enkele kerngetallen: centrummaten die het midden aangeven (gemiddelde, mediaan, modus) en spreidingsmaten die laten zien hoe ver de waarnemingen uiteenlopen (bereik, kwartielen, interkwartielafstand en standaardafwijking). Je leert de boxplot tekenen, lezen en gebruiken om twee verdelingen te vergelijken, en uitschieters opsporen met de regel van 1,5·IQR. Het hoort tot domein E (Statistiek en kansrekening) en is volop centraal-examenstof; de standaardafwijking bepaal je met de grafische rekenmachine, en de ICT-gestuurde verwerking van grotere datasets kent een schoolexamen-accent.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE: bereken het gemiddelde, de mediaan en de modus, bepaal het bereik, de kwartielen en de IQR, teken en lees boxplots en vergelijk er twee, en bepaal met de grafische rekenmachine het gemiddelde en de standaardafwijking.
verhoogd niveau
Verdieping en SE-accent: kies bewust de passende maat (mediaan met IQR bij scheve data of uitschieters, gemiddelde met standaardafwijking bij symmetrische data), pas de regel van 1,5·IQR voor uitschieters toe en interpreteer de standaardafwijking; de ICT-gestuurde verwerking van grotere datasets heeft een schoolexamen-accent.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Frequentietabel: gelezen boeken
rekenkundig gemiddelde
Tel alle waarnemingen op (de som van x) en deel door het aantal waarnemingen n. Elke waarneming weegt even zwaar, waardoor het gemiddelde gevoelig is voor uitschieters.
gemiddelde uit een frequentietabel
Weeg elke waarde x met haar frequentie f: tel alle producten f·x op en deel door het totale aantal waarnemingen, de som van alle frequenties. Een waarde die vaker voorkomt, telt zo automatisch vaker mee.
Tien leerlingen lazen in een jaar het volgende aantal boeken: 4, 3, 12, 4, 2, 7, 3, 5, 4, 6. Bereken het gemiddelde, de mediaan en de modus, en leg uit welk effect de uitschieter 12 op deze maten heeft.
Sorteer de getallen van klein naar groot: 2, 3, 3, 4, 4, 4, 5, 6, 7, 12. Tel ze op (de som is 50) en deel door het aantal waarnemingen, n = 10. Het gemiddelde is dus 50 gedeeld door 10 = 5 boeken.
Er zijn 10 waarnemingen (een even aantal), dus de mediaan is het gemiddelde van de 5e en de 6e waarde in de geordende rij. Dat zijn allebei 4, dus de mediaan is het gemiddelde van 4 en 4.
De modus is de waarde die het vaakst voorkomt. De 4 komt drie keer voor, vaker dan elke andere waarde, dus de modus is 4.
De waarde 12 is een uitschieter: ver boven de rest. Doordat élke waarneming in het gemiddelde meetelt, trekt die 12 het gemiddelde omhoog naar 5, terwijl de mediaan op 4 blijft. Laat je de uitschieter weg, dan zakt het gemiddelde naar 38 gedeeld door 9 ≈ 4,2, maar de mediaan blijft 4. Het gemiddelde is dus gevoelig voor de uitschieter, de mediaan robuust.
Resultaat: Het gemiddelde is 5 boeken, de mediaan 4 en de modus 4. De uitschieter 12 trekt het gemiddelde boven de mediaan; zonder die ene waarde zakt het gemiddelde naar ongeveer 4,2 terwijl de mediaan ongewijzigd 4 blijft. Bij scheve data met uitschieters geeft de mediaan daarom een eerlijker beeld van een typische waarde.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een webshop verstuurde op acht dagen het volgende aantal pakketten: 14, 9, 11, 9, 60, 12, 9, 12. Bereken het gemiddelde, de mediaan en de modus. Leg daarna uit welke van deze drie maten een „typische” dag het best beschrijft en waarom.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kwartielen en IQR op de getallenlijn
spreidingsbreedte (bereik)
Het verschil tussen de grootste en de kleinste waarneming. Snel te berekenen, maar gevoelig voor uitschieters omdat alleen de twee uiterste waarden meetellen.
interkwartielafstand
Het verschil tussen het derde en het eerste kwartiel: de breedte van de middelste 50% van de data. Ongevoelig voor uitschieters, want de buitenste kwart aan beide kanten telt niet mee.
De volgende elf metingen zijn het aantal minuten dat elf leerlingen over een opgave deden: 12, 4, 16, 7, 21, 10, 13, 6, 18, 9, 15. Bepaal het minimum, het maximum en de spreidingsbreedte, en bepaal vervolgens de kwartielen Q1, Q2 en Q3 en de interkwartielafstand.
Zet de waarden van klein naar groot: 4, 6, 7, 9, 10, 12, 13, 15, 16, 18, 21. Het minimum is 4 en het maximum is 21.
Het bereik is het maximum min het minimum: 21 − 4 = 17 minuten.
Er zijn 11 waarnemingen (oneven), dus de mediaan is de 6e waarde in de geordende rij. Dat is 12, dus Q2 = 12.
De mediaan telt niet mee in de helften. De onderste helft (de vijf waarden ervóór) is 4, 6, 7, 9, 10; daarvan is de mediaan 7, dus Q1 = 7. De bovenste helft (de vijf erná) is 13, 15, 16, 18, 21; daarvan is de mediaan 16, dus Q3 = 16.
De IQR is het verschil tussen Q3 en Q1: 16 − 7 = 9 minuten. Binnen die negen minuten valt de middelste helft van de leerlingen.
Resultaat: Het minimum is 4 en het maximum 21, dus de spreidingsbreedte is 17 minuten. De kwartielen zijn Q1 = 7, Q2 (mediaan) = 12 en Q3 = 16, en de interkwartielafstand is 9 minuten. Deze vijf getallen — 4, 7, 12, 16 en 21 — vormen de vijfgetallensamenvatting voor de boxplot.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven de dataset 18, 7, 12, 25, 9, 14, 21, 11, 16, 8, 19, 13. Bepaal het minimum, het maximum en de spreidingsbreedte, en bepaal vervolgens de kwartielen Q1, Q2 en Q3 en de interkwartielafstand. Let op: dit zijn twaalf waarnemingen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Twee boxplots vergelijken: klas A en klas B
ondergrens voor uitschieters
Een waarneming onder deze grens geldt als uitschieter aan de onderkant. Trek anderhalf keer de interkwartielafstand van het eerste kwartiel af.
bovengrens voor uitschieters
Een waarneming boven deze grens geldt als uitschieter aan de bovenkant. Tel anderhalf keer de interkwartielafstand bij het derde kwartiel op.
Van een dataset is de vijfgetallensamenvatting: minimum 4, Q1 = 7, mediaan = 12, Q3 = 16, maximum 21 (de interkwartielafstand is dus 9). Beschrijf hoe je hieruit de boxplot tekent, interpreteer de verdeling en onderzoek met de regel van 1,5·IQR of er uitschieters zijn. Dit is de boxplot van klas A in het diagram hierboven.
Teken op een score-as een box van Q1 = 7 tot Q3 = 16; die box bevat de middelste 50% van de data en is 9 breed (de IQR). Zet binnen de box een streep bij de mediaan, op 12.
Trek vanaf de linkerkant van de box een snorhaar naar het minimum (4) en vanaf de rechterkant een snorhaar naar het maximum (21). De boxplot loopt nu in totaal van 4 tot 21.
De mediaan (12) ligt vrijwel in het midden van de box (7 tot 16), dus de middelste helft is tamelijk symmetrisch. De ondersnorhaar (4 tot 7) is 3 lang en de bovensnorhaar (16 tot 21) is 5 lang: de bovenkant rekt iets verder uit, wat wijst op een lichte scheefheid naar rechts. Elk van de vier stukken bevat ongeveer 25% van de waarnemingen.
Bereken de grenzen met de regel van 1,5·IQR. De ondergrens is 7 − 1,5·9 = 7 − 13,5 = −6,5 en de bovengrens is 16 + 1,5·9 = 16 + 13,5 = 29,5. Zowel het minimum (4) als het maximum (21) ligt binnen het gebied van −6,5 tot 29,5, dus er zijn geen uitschieters.
Resultaat: De boxplot bestaat uit een box van 7 tot 16 met een mediaanstreep op 12 en snorharen naar 4 en 21. De verdeling is ongeveer symmetrisch met een iets langere bovensnorhaar (lichte scheefheid naar rechts). Met grenzen van −6,5 en 29,5 vallen alle waarnemingen binnen het toegestane gebied, dus deze dataset bevat geen uitschieters.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee klassen maakten dezelfde toets. Van klas A is de vijfgetallensamenvatting 3, 5, 6, 7, 9 en van klas B is die 4, 6, 8, 9, 10 (telkens minimum, Q1, mediaan, Q3, maximum). Teken beide boxplots onder elkaar op dezelfde schaal, vergelijk de klassen op niveau en spreiding, en onderzoek met de regel van 1,5·IQR of klas A een uitschieter zou kunnen hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De standaardafwijking opgebouwd uit afwijkingen
standaardafwijking
Kwadrateer elke afwijking tot het gemiddelde, middel de kwadraten over alle n waarnemingen en trek de wortel. Dit is de populatie-standaardafwijking die de grafische rekenmachine als σx geeft.
band rond het gemiddelde
Het interval van het gemiddelde min de standaardafwijking tot het gemiddelde plus de standaardafwijking. Bij een klokvormige verdeling ligt hierin ongeveer 68% van de waarnemingen.
Acht leerlingen behaalden de volgende scores: 2, 4, 4, 4, 5, 5, 7, 9. Bepaal het gemiddelde en de standaardafwijking (zoals de grafische rekenmachine die als σx geeft) en interpreteer het interval van één standaardafwijking rond het gemiddelde.
Tel de acht scores op (de som is 40) en deel door n = 8. Het gemiddelde is 40 gedeeld door 8 = 5.
Trek van elke score het gemiddelde 5 af. De afwijkingen zijn −3, −1, −1, −1, 0, 0, 2 en 4; ze tellen op tot 0 (de controle klopt). Kwadrateer ze (9, 1, 1, 1, 0, 0, 4, 16); de som van de kwadraten is 32, zoals in de tabel hierboven.
Middel de kwadraten over de acht waarnemingen (32 gedeeld door 8 = 4) en trek de wortel: de standaardafwijking is 2. Op de grafische rekenmachine voer je de scores in en lees je via 1-Var Stats hetzelfde af: x met een streep = 5 en σx = 2.
Het interval van één standaardafwijking rond het gemiddelde loopt van 5 − 2 = 3 tot 5 + 2 = 7. Zes van de acht scores (4, 4, 4, 5, 5 en 7) liggen binnen dat interval; de 2 valt eronder en de 9 erboven. Een score van 9 ligt twee standaardafwijkingen boven het gemiddelde en is dus relatief hoog.
Resultaat: Het gemiddelde is 5 en de standaardafwijking is 2 (de rekenmachine geeft σx = 2). Het interval van het gemiddelde plus en min één standaardafwijking is [3, 7], waarbinnen zes van de acht scores vallen. De standaardafwijking meet zo de typische afstand tot het gemiddelde: hoe groter σ, hoe meer de scores uiteenlopen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De gemiddelde maandtemperatuur (in °C) in een stad was: 4, 6, 6, 7, 9, 9, 9, 10, 12, 13, 15, 16. Bepaal met de grafische rekenmachine het gemiddelde en de standaardafwijking, stel het interval van één standaardafwijking rond het gemiddelde op en bepaal hoeveel van de twaalf maanden binnen dat interval vallen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad