Loading
Loading
Data worden meestal in een grafiek of tabel gepresenteerd, en juist die presentatie kan een eerlijk óf een misleidend beeld geven. In dit onderwerp leer je de gangbare datavisualisaties herkennen en aflezen, doorzien hoe een grafiek misleidt (bijvoorbeeld met een afgekapte as), absolute aantallen onderscheiden van relatieve cijfers, en een bron en een conclusie kritisch beoordelen — onder andere het verschil tussen correlatie en causaliteit. Het hoort tot domein E (Statistiek en kansrekening) en is volop centraal-examenstof in elke contextopgave over data.
4Onderdelenca. 26min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor het CE: lees diagrammen en tabellen af, kies het juiste type bij de data, doorzie misleiding (vooral de afgekapte as), reken absolute aantallen om naar relatieve cijfers en beoordeel of een claim uit de data volgt.
verhoogd niveau
Verdieping: weeg systematisch bron, schaal en presentatie tegen elkaar af, onderbouw waarom een vergelijking (on)eerlijk is en formuleer bij correlaties een voorzichtige conclusie met een aannemelijke derde variabele.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Staafdiagram: vervoer naar school
sectorhoek in een cirkeldiagram
De hoek van een sector is recht evenredig met het aandeel: deel het aandeel door het geheel en vermenigvuldig met 360°. Een aandeel van 25% levert zo een sector van 90°.
Cirkeldiagram: marktaandeel
Hieronder staan twee diagrammen. Het ene toont hoe 350 leerlingen naar school komen (fiets, lopen, bus, auto); het andere toont het marktaandeel van vier merken. Bepaal van elk diagram welk type het is en waarom dat type bij die data past, en lees af welk vervoermiddel het meest wordt gebruikt en welk merk het grootste marktaandeel heeft.
Vervoermiddelen zijn losse categorieën die je met elkaar vergelijkt — geen ontwikkeling in de tijd en geen delen van één geheel. Daarom past een staafdiagram: elke categorie een eigen staaf, met tussenruimte ertussen.
Vergelijk de staafhoogten. De staaf „fiets” is het hoogst met 180 leerlingen, gevolgd door bus (70), lopen (60) en auto (40). Het meest gebruikte vervoermiddel is dus de fiets.
Marktaandelen zijn delen van één geheel (de hele markt = 100%). Dat hoort bij een cirkeldiagram, waarin elke sector het aandeel van een merk voorstelt.
De grootste sector hoort bij merk A, met 40% van de markt; samen vormen de merken 40 + 25 + 20 + 15 = 100%. De sectorhoek van merk A is dan 40/100 · 360° = 144°.
Resultaat: Het vervoersdiagram is een staafdiagram (losse categorieën vergelijken) met de fiets als koploper (180 leerlingen); het merkendiagram is een cirkeldiagram (delen van één geheel) met merk A als grootste (40%, oftewel een sector van 144°). Het passende type volgt steeds rechtstreeks uit het soort data.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een onderzoeker heeft drie datasets: (a) het aantal verkochte tickets per maand gedurende een jaar, (b) de verdeling van het huishoudbudget over wonen, eten, vervoer en overig, en (c) het aantal leerlingen per profiel op een school. Geef bij elke dataset het passende diagramtype en leg je keuze uit. Lees daarna in het cirkeldiagram hieronder af welk merk het grootste marktaandeel heeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Misleidend: afgekapte y-as (start bij 90)
procentuele verandering
Deel de verandering (nieuwe waarde min oude waarde) door de oude waarde en vermenigvuldig met 100%. Hiermee zet je de werkelijke verandering naast de visuele indruk die de grafiek wekt.
Eerlijk: dezelfde data met een y-as vanaf 0
Een grafiek toont de omzet van een bedrijf in vier kwartalen: 96, 98, 100 en 102 miljoen euro. De verticale as loopt van 90 tot 105. Een krant kopt: „Omzet schiet omhoog.” Beoordeel of die kop klopt, en leg uit hoe de grafiek eerlijker kan.
De omzet gaat van 96 (K1) naar 102 (K4) miljoen euro. In absolute zin is dat een toename van 6 miljoen euro over het jaar.
Deel de toename door de oude waarde: (102 − 96) / 96 = 6 / 96 = 0,0625, oftewel 6,25%. Een toename van ruim zes procent over een jaar is bescheiden, geen explosie.
Omdat de as bij 90 begint, is de staafhoogte evenredig met de waarde min 90. De K1-staaf is dan 6 eenheden hoog en de K4-staaf 12 — twee keer zo hoog. Het oog ziet een verdubbeling, terwijl de omzet maar 6,25% steeg.
Teken de verticale as vanaf 0. Dan zijn de vier staven bijna even hoog (96, 98, 100, 102 op een schaal tot 110) en zie je meteen dat het verschil klein is. De kop „omzet schiet omhoog” is dus misleidend.
Resultaat: De omzet steeg met 6,25% — bescheiden, niet spectaculair. De grafiek wekt door de afgekapte as (start bij 90) de valse indruk van een verdubbeling, omdat de laatste staaf twee keer zo hoog is als de eerste. Eerlijk is een as vanaf 0, waarop het kleine verschil zichtbaar wordt; de kop klopt niet.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een grafiek toont het ledental van een vereniging in vier jaren: 1020, 1035, 1050 en 1060, met een verticale as die van 1000 tot 1080 loopt. De kop luidt „Explosieve groei!”. Beoordeel of die kop terecht is, bereken de werkelijke procentuele groei over de hele periode, en leg uit hoe de grafiek eerlijker kan.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Absoluut naast relatief: gevallen per regio
percentage
Deel het aantal in het deel door het juiste totaal en vermenigvuldig met 100%. De keuze van het totaal (de noemer) bepaalt wat het percentage betekent.
aantal per 1000
Deel het aantal door de omvang van de groep en vermenigvuldig met 1000. Zo vergelijk je groepen van verschillende grootte eerlijk; vervang 1000 door 100 000 voor „per 100 000”.
indexcijfer
Geef de basiswaarde index 100 en druk elke andere waarde daar als percentage van uit. Een index van 115 ligt 15% boven de basiswaarde.
In regio Noord komt een bepaalde ziekte voor bij 240 van de 120 000 inwoners; in regio Zuid bij 180 van de 60 000 inwoners. Vergelijk eerst de absolute aantallen, bereken daarna het aantal gevallen per 1000 inwoners in beide regio's, en bepaal in welke regio de ziekte verhoudingsgewijs vaker voorkomt.
In absolute zin heeft Noord meer gevallen dan Zuid: 240 tegen 180. Maar Noord telt ook twee keer zoveel inwoners (120 000 tegen 60 000), dus een kale vergelijking van de aantallen is niet eerlijk.
Deel het aantal door de omvang en vermenigvuldig met 1000: 240 / 120 000 × 1000 = 2,0 gevallen per 1000 inwoners.
Zo ook voor Zuid: 180 / 60 000 × 1000 = 3,0 gevallen per 1000 inwoners.
Met 3,0 per 1000 ligt het relatieve aantal in Zuid hoger dan de 2,0 per 1000 in Noord. Verhoudingsgewijs komt de ziekte dus váker voor in Zuid, ondanks de lagere absolute aantallen.
Resultaat: Absoluut heeft Noord meer gevallen (240 tegen 180), maar relatief ligt het in Zuid hoger: 3,0 tegen 2,0 per 1000 inwoners. De eerlijke vergelijking gebruikt het relatieve cijfer, dat rekening houdt met de verschillende inwonertallen; „meer gevallen” betekent hier niet „vaker voorkomend”.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een stad stemt 28 800 van de 120 000 kiezers op partij X; in een dorp 1200 van de 4000 kiezers. Bereken in beide het percentage stemmen op X, bepaal waar X verhoudingsgewijs sterker staat, en leg uit waarom de absolute aantallen hier een misleidend beeld geven.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Spreidingsdiagram: ijsverkoop en verdrinkingen
correlatie is geen causaliteit
Een samenhang tussen twee grootheden bewijst niet dat de ene de andere veroorzaakt; er kan een derde variabele, een omgekeerde oorzaak of toeval in het spel zijn.
Schijnverband via een derde variabele
Een krant schrijft: „Het eten van ijs is gevaarlijk: in maanden met een hoge ijsverkoop verdrinken meer mensen, dus ijs verkopen leidt tot verdrinkingen.” Beoordeel deze claim op grond van het spreidingsdiagram, en noem een mogelijke derde variabele.
Het spreidingsdiagram toont een positieve samenhang: bij een hogere ijsverkoop hoort een hoger aantal verdrinkingen, en de trendlijn loopt omhoog. Er is dus een correlatie.
Een correlatie betekent alleen dat de twee samen oplopen, niet dat ijs verdrinkingen veroorzaakt. De stap van samenhang naar oorzaak is hier niet gerechtvaardigd.
Warm weer verklaart beide: als het warm is, wordt er méér ijs verkocht én gaan méér mensen zwemmen, waardoor er meer verdrinkingen zijn. De temperatuur is de gemeenschappelijke oorzaak; het verband tussen ijs en verdrinkingen is een schijnverband.
De claim is onterecht: ijs verkopen veroorzaakt geen verdrinkingen. Minder ijs verkopen zou het aantal verdrinkingen niet verlagen, want de echte oorzaak — warm weer — blijft. Hooguit mag je zeggen dat ijsverkoop en verdrinkingen samenhangen via de temperatuur.
Resultaat: Het diagram toont een correlatie, geen oorzaak. Een aannemelijke derde variabele is de temperatuur (warm weer), die zowel de ijsverkoop als het zwemmen — en daarmee de verdrinkingen — opdrijft. De claim „ijs verkopen leidt tot verdrinkingen” berust op een schijnverband en wordt verworpen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Onderzoekers melden dat gemeenten met meer bibliotheken gemiddeld hogere huizenprijzen hebben, en concluderen: „bibliotheken stuwen de huizenprijs op.” Beoordeel deze conclusie, geef aan of de samenhang een oorzaak bewijst, en noem een mogelijke derde variabele die beide kan verklaren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma wiskunde A (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad