Loading
Loading
Dit onderwerp behandelt de drie chemische bindingstypen — de covalente atoombinding, de ionbinding en de metaalbinding — en laat zien hoe de bouw op deeltjesniveau de eigenschappen van een stof bepaalt. Je leert Lewisstructuren tekenen, ionen en ionroosters begrijpen, het elektronenzee-model van metalen toepassen, en met polariteit en intermoleculaire krachten kook- en smeltpunten en oplosbaarheid verklaren. Dit is verplichte centraal-examenstof (CE) scheikunde HAVO.
4Onderdelenca. 21min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 4
basisniveau
Ken de drie bindingstypen en hun kenmerkende eigenschappen, en herken bij een gegeven stof welk bindingstype er heerst.
verhoogd niveau
Verklaar eigenschappen (smeltpunt, geleiding, oplosbaarheid) volledig op deeltjesniveau en beredeneer polariteit en intermoleculaire krachten in onbekende contexten.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Het stikstofmolecuul N₂ met een drievoudige binding
Teken de Lewisstructuur van ammoniak en bepaal het aantal bindende en niet-bindende elektronenparen.
Stikstof staat in groep 15 en heeft 5 buitenste elektronen; elk waterstofatoom heeft er 1. Samen zijn dat 5 + 3 × 1 = 8 buitenste elektronen, oftewel 4 elektronenparen.
Stikstof deelt met elk van de drie waterstofatomen één elektronenpaar. Dat kost 3 paren: er ontstaan 3 bindende (gemeenschappelijke) elektronenparen.
Van de 4 paren blijft er na 3 bindingen 1 over: dat is het niet-bindende (vrije) elektronenpaar op stikstof. Stikstof heeft nu 3 bindingen + 1 vrij paar = 8 elektronen (octet); elk waterstofatoom heeft 1 binding = 2 elektronen (edelgasregel).
Resultaat: Resultaat: ammoniak heeft 3 bindende elektronenparen en 1 niet-bindend elektronenpaar; alle atomen voldoen aan de octet- of edelgasregel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken de Lewisstructuur van methaan en van water . Geef bij elk molecuul het aantal bindende en het aantal niet-bindende elektronenparen, en controleer of elk atoom aan de octet- of edelgasregel voldoet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Eigenschappen van zouten verklaard op deeltjesniveau
elektronenafgifte (metaal)
Een natriumatoom staat één elektron af en wordt daarbij het positieve ion .
elektronenopname (niet-metaal)
Chloor neemt elektronen op; per chlooratoom ontstaat één -ion.
Leid uit het periodiek systeem de ionen en de verhoudingsformule van magnesiumchloride af.
Magnesium staat in groep 2 en staat 2 elektronen af: . Chloor staat in groep 17 en neemt 1 elektron op: .
De totale positieve lading moet de totale negatieve lading opheffen. Eén draagt 2+, dus zijn er 2 ionen (elk 1−) nodig: 2 × (1−) = 2−, wat de 2+ precies compenseert.
De verhouding is 1 : 2, dus de verhoudingsformule is .
Resultaat: Resultaat: magnesiumchloride bestaat uit - en -ionen in de verhouding 1 : 2; de verhoudingsformule is .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Geef de ionen (met lading) en de verhoudingsformule van magnesiumchloride en van natriumoxide. Leg daarna op deeltjesniveau uit waarom vast keukenzout geen stroom geleidt, maar gesmolten of opgelost keukenzout wél.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De drie chemische bindingstypen vergeleken
Bepaal voor keukenzout , water en ijzer welk bindingstype er heerst, met behulp van de plaats van de elementen in het periodiek systeem.
Deel de elementen in: natrium (Na) en ijzer (Fe) zijn metalen; chloor (Cl), waterstof (H) en zuurstof (O) zijn niet-metalen.
Metaal + niet-metaal geeft een ionbinding, niet-metaal + niet-metaal geeft een atoombinding, en metaal + metaal (of een zuiver metaal) geeft een metaalbinding.
= metaal (Na) + niet-metaal (Cl) → ionbinding (een zout). = niet-metaal (H) + niet-metaal (O) → atoombinding (een molecuulstof). = een zuiver metaal → metaalbinding.
Resultaat: Resultaat: heeft een ionbinding, een atoombinding en een metaalbinding — precies af te leiden uit de plaats van de elementen in het periodiek systeem.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met het elektronenzee-model uit waarom koper zowel elektrische stroom geleidt als goed buigzaam is. Verklaar daarna waarom een zout in dezelfde omstandigheden juist breekt in plaats van te buigen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het polaire watermolecuul met twee vrije elektronenparen
Water kookt bij , terwijl je op grond van de reeks verwante stoffen een veel lager kookpunt zou verwachten. Verklaar dit met de intermoleculaire krachten.
De zwaardere verwanten van water, , en , koken bij ongeveer −2, −41 en −60 °C. Naarmate de moleculen kleiner en lichter worden, daalt het kookpunt — dat is het vanderwaals-effect.
Zet je die dalende lijn door naar het nog kleinere watermolecuul, dan zou je voor water een kookpunt van rond de −80 °C verwachten. Op grond van alleen de vanderwaalskrachten zou water dus een gas moeten zijn bij kamertemperatuur.
In water zit H aan het sterk elektronegatieve O, en O heeft vrije elektronenparen; daardoor vormen watermoleculen onderling sterke waterstofbruggen. Die extra kracht moet je bij het koken óók verbreken, wat veel meer energie kost en het kookpunt naar +100 °C tilt.
Resultaat: Resultaat: het verwachte kookpunt van rond de −80 °C wordt door de waterstofbruggen opgetild naar de gemeten +100 °C — een verschil van bijna 180 °C. De uitzonderlijk sterke waterstofbruggen maken water tot een vloeistof bij kamertemperatuur.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom het kookpunt oploopt in de reeks , , , . Verklaar daarna, met de juiste intermoleculaire kracht, waarom ethanol goed mengt met water terwijl hexaan dat niet doet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad