Loading
Loading
Dit onderwerp kijkt in het atoom zelf: naar de protonen, neutronen en elektronen, naar het atoomnummer, het massagetal en de isotopen, en naar de verdeling van de elektronen over schillen. Daarna ordenen we alle elementen in het periodiek systeem — in groepen en perioden — en verklaren we de trends in atoomstraal, elektronegativiteit en metaalkarakter. Zo begrijp je hoe atomen ionen vormen en waarom elementen zich gedragen zoals ze doen. Dit is centraal-examenstof scheikunde HAVO.
4Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauStandaard 4
basisniveau
Beheers de bouw van het atoom en het aflezen van , en uit en , en gebruik het periodiek systeem om valentie-elektronen en ionlading te bepalen.
verhoogd niveau
Verklaar met de elektronenconfiguratie en de trends waarom een atoom een bepaald ion vormt en hoe eigenschappen door een periode en een groep veranderen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De drie bouwstenen van het atoom
massagetal
Het massagetal is de som van het aantal protonen () en het aantal neutronen (); het aantal neutronen bereken je met .
neutraal atoom
In een neutraal atoom is het aantal protonen gelijk aan het aantal elektronen, en beide zijn gelijk aan het atoomnummer .
Bepaal het aantal protonen, neutronen en elektronen in de chloorisotopen en .
Het getal linksonder is (protonen), linksboven is (massagetal). Voor beide isotopen is ; het massagetal is respectievelijk .
Het aantal protonen is . Een neutraal atoom heeft evenveel elektronen als protonen, dus ook elektronen — voor beide isotopen gelijk.
Het aantal neutronen bereken je met .
Resultaat: heeft protonen, neutronen en elektronen; heeft protonen, neutronen en elektronen. Gelijk , verschillend : het zijn isotopen van hetzelfde element.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal voor het isotoop het aantal protonen, neutronen en elektronen. Leg daarna uit waarom en isotopen van hetzelfde element zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Schillenmodel van natrium (2-8-1)
Geef de elektronenconfiguratie van natrium (), bepaal het aantal valentie-elektronen en leid af welk ion natrium vormt.
Een neutraal natriumatoom heeft elektronen.
K-schil , L-schil , en de resterende in de M-schil.
De buitenste schil bevat valentie-elektron. Door dat ene elektron af te staan bereikt natrium de configuratie (neon) en wordt het het ion .
Resultaat: Natrium heeft de configuratie met valentie-elektron en vormt het ion door dat elektron af te staan (edelgasconfiguratie van neon).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Geef de elektronenconfiguratie van een magnesiumatoom () en van een zuurstofatoom (). Leid voor beide af welk ion ontstaat en waarom, met een verwijzing naar de edelgasconfiguratie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Enkele karakteristieke groepen
Bepaal met het periodiek systeem het aantal valentie-elektronen en de ionlading van kalium (, groep ) en van chloor (, groep ).
Bij de hoofdgroepen geeft het groepsnummer het aantal valentie-elektronen: groep geeft valentie-elektron (kalium), groep geeft valentie-elektronen (chloor).
Met valentie-elektron bereikt kalium het snelst een volle buitenschil door dat ene elektron áf te staan; het vormt het ion (lading ).
Met valentie-elektronen mist chloor er nog voor een volle schil en neemt er daarom één óp; het vormt het ion (lading ).
Resultaat: Kalium (groep , alkalimetaal) heeft valentie-elektron en vormt ; chloor (groep , halogeen) heeft valentie-elektronen en vormt . Samen vormen ze het zout .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kalium () staat in groep en broom () in groep . Bepaal voor beide het aantal valentie-elektronen en de lading van het ion dat ze vormen, en noem tot welke groep (met naam) ze horen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Trends in het periodiek systeem
Welk atoom is groter, natrium () of chloor ()? En welk is elektronegatiever, fluor () of jood ()? Verklaar met de trends.
Natrium en chloor staan in dezelfde periode (periode ); fluor en jood staan in dezelfde groep (groep ).
Binnen een periode neemt de atoomstraal naar rechts áf door de grotere kernlading. Natrium staat links van chloor, dus natrium heeft de grootste atoomstraal.
Binnen een groep neemt de elektronegativiteit naar beneden áf, doordat de buitenste elektronen in een verdere schil zitten. Fluor staat boven jood, dus fluor is elektronegatiever.
Resultaat: Natrium is groter dan chloor (zelfde periode, de straal neemt naar rechts af door de sterkere kernlading), en fluor is elektronegatiever dan jood (zelfde groep, de elektronegativiteit neemt naar beneden af doordat er een schil bij komt).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vergelijk natrium () en chloor (), die in dezelfde periode staan: welk atoom heeft de grootste atoomstraal en welk de grootste elektronegativiteit? Vergelijk daarna fluor () en jood () uit dezelfde groep op elektronegativiteit. Verklaar telkens je antwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad