Loading
Loading
Turnen is de bewegingsactiviteit waarin je op en over toestellen leert bewegen: grondoefeningen (rollen, handstand, radslag, sprongen), de sprong over kast of pegasus, en de steun- en hangtoestellen zoals brug, rekstok en ringen. Je leert de bewegingsprincipes — aanloop, afzet, zweeffase en landing, lichaamsspanning, balans en rotatie om een as — en je oefent van eenvoudig naar moeilijk met een goede methodische opbouw. Turnen hoort tot het schoolexamen (handelingsdeel): er is geen centraal examen; je wordt beoordeeld op de kwaliteit van je bewegen, op veilig hulpverlenen en op het klaarzetten en controleren van de toestellen.
4Onderdelenca. 26min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Turnen is onderdeel van het schoolexamen (handelingsdeel): je laat zien dat je de kernvaardigheden veilig en met vooruitgang uitvoert en dat je correct hulpverleent.
verhoogd niveau
Wie zich verdiept, gebruikt de bewegingsprincipes (rotatie om een as, lichaamsspanning, impuls bij de afzet) om moeilijkere elementen bewust op te bouwen en de hulpverlening precies af te stemmen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Methodische opbouw van de handstand
Draaiassen bij het turnen
Een leerling maakt een koprol voorwaarts, maar rolt halverwege vast en komt niet netjes tot stand. Verklaar met de bewegingsprincipes wat er misgaat en geef een concrete aanwijzing.
Een koprol voorwaarts is een rotatie om de breedteas: het lichaam tolt voorover over kop.
Je draait sneller als je je lichaam klein en rond maakt; strek je je uit, dan verlies je snelheid en blijf je op je rug liggen.
De leerling strekt waarschijnlijk te vroeg of houdt de kin niet op de borst, waardoor het lichaam lang wordt en de rotatie stopt.
„Maak je klein en rond: kin op de borst, knieën naar de borst trekken, en pak je onderbenen vast om door te rollen tot stand.”
Resultaat: De koprol stopt doordat het lichaam te lang wordt en de rotatie om de breedteas verliest; door klein en rond te blijven (kin op de borst, inhurken) draai je sneller door en kom je tot stand.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies één turnelement (bijvoorbeeld de handstand, de koprol of de spreidsprong over de kast). Benoem om welke as het draait, leg uit welke rol lichaamsspanning en balans erin spelen, en beschrijf een methodische opbouw in drie of vier tussenstappen van eenvoudig naar moeilijk. Licht per stap toe waarom die op die plaats staat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (turnen) (CvTE / Examenblad)
Kernvaardigheid en aandachtspunt per grondelement
Fasen van de koprol voorwaarts
Een leerling komt in de handstand omhoog, maar zakt telkens door in de onderrug (holle rug) en valt daardoor voorover. Analyseer de fout met de bewegingsprincipes en geef twee concrete aanwijzingen.
De handstand is een balanselement: het zwaartepunt moet recht boven het steunvlak tussen de handen blijven, met het lichaam als één gespannen geheel.
Een holle rug betekent onvoldoende lichaamsspanning in buik en billen; het lichaam knikt in de heup, het zwaartepunt schuift voor de handen uit en de leerling kantelt voorover.
„Span je buik en billen aan en strek je lichaam kaarsrecht; stel je voor dat je één stok bent van je handen tot je tenen.”
„Druk je schouders helemaal open (oren tussen de armen) en zoek de balans met een lichte druk in je vingertoppen.” Laat een medeleerling de benen vangen zodat de leerling durft te strekken.
Resultaat: De holle rug komt door te weinig lichaamsspanning; met aangespannen buik en billen, geopende schouders en balans in de vingertoppen — ondersteund door hulpverlenen — staat de handstand strak en valt de leerling niet voorover.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf stap voor stap de uitvoering van een koprol achterwaarts, van de starthouding tot de stand. Benoem in elke fase het belangrijkste techniek- of veiligheidspunt en leg uit waarom de handafdruk het beslissende moment is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — grondoefeningen (turnen) (CvTE / Examenblad)
Kernpunt per sprongfase
De vier fasen van de sprong
Een leerling komt bij de hurksprong telkens net niet goed over de kast en moet met de handen bijsturen om er niet tegenaan te komen. In welke fase zit de fout waarschijnlijk, en waarom is die niet in de zweeffase te herstellen?
Aanloop levert snelheid, afzet zet die om in hoogte, zweeffase geeft de vorm. Te weinig hoogte wijst op de aanloop of de afzet, niet op de vorm.
Vaak is de aanloop te traag of aarzelend, of de afzet gebeurt niet krachtig en tweevoetig op het juiste punt van de plank, zodat er te weinig hoogte ontstaat.
In de zweeffase ben je los van het toestel; je kunt geen snelheid of hoogte meer toevoegen. Hoogte en rotatie liggen vast op het moment dat je de plank verlaat.
„Versnel in de laatste passen en zet krachtig met beide voeten tegelijk af op de plank, en druk je bij het toestel met je handen extra af.”
Resultaat: De fout zit in de aanloop of afzet (te weinig snelheid/hoogte). In de zweeffase ben je los van het toestel en kun je geen hoogte meer toevoegen — daarom moet je het in de aanloop en de afzet oplossen, niet in de lucht.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Analyseer een spreidsprong over de kast per fase (aanloop, afzet, zweeffase, landing). Beschrijf per fase wat de leerling moet doen en welk kernpunt de docent controleert, en leg uit waarom een fout in de afzet niet meer in de zweeffase te herstellen is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — sprong (turnen) (CvTE / Examenblad)
Hulpverlenen per element
Opbouw van een oefening op een hangtoestel
Een medeleerling gaat een vrije handstand oefenen. Beschrijf hoe je correct hulpverleent: waar sta je, waar vang je, en wanneer grijp je in?
Sta dicht naast de turner, aan de kant waar de benen omhoog zwaaien, stevig met één voet voor, en houd je aandacht volledig bij de beweging.
Bij de handstand vang en ondersteun je de benen (rond de onderbenen) en zo nodig de rug/bovenbenen, zodat het lichaam niet doorzakt of doorvalt.
Grijp beheerst in zodra de turner de balans dreigt te verliezen — niet te vroeg (dan verstoor je de handstand), niet te laat (dan val je te laat op).
Zeg dat je klaarstaat en de benen opvangt, zodat de turner durft te strekken; laat pas los als de handstand stabiel staat.
Resultaat: Je staat stevig en dichtbij aan de zijkant waar de benen omhoog komen, vangt de onderbenen en ondersteunt zo nodig de rug, en grijpt precies op tijd in als de balans wegvalt — zo kan de turner veilig en met vertrouwen de handstand oefenen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies één steun- of hangtoestel (rekstok, brug of ringen) en beschrijf een eenvoudige oefening met een opsprong, een kernbeweging en een afsprong. Beschrijf daarnaast hoe een medeleerling bij dat element hulpverleent (waar staan, waar vangen) en noem drie veiligheidspunten voor het klaarzetten en controleren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — steun- en hangtoestellen, hulpverlenen en veiligheid (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen