Loading
Loading
Atletiek bundelt de oervormen van bewegen — lopen, springen en werpen — tot een familie van meetbare nummers waarin je je eigen prestatie leert uitvoeren, regelen en verklaren. Je leert de bewegingsprincipes achter snelheid, afzet en worp, en je koppelt techniek aan eenvoudige natuurkunde zoals de gemiddelde snelheid v = s/t. Atletiek hoort bij domein B (Bewegen) en wordt, net als heel LO, via het schoolexamen en handelingsdeel afgesloten; er is geen centraal examen.
4Onderdelenca. 23min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voer de basisvormen van sprint, verspringen en kogelstoten veilig uit, herken de fasen aanloop–afzet–vlucht–landing en bereken een eenvoudige gemiddelde snelheid.
verhoogd niveau
Wie zich verdiept, verklaart prestaties met de bewegingsprincipes (paslengte × pasfrequentie, optimale afzethoek, snelheidsoverdracht) en gebruikt metingen om het eigen bewegen gericht bij te sturen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De fasen van de sprint
Loopsnelheid
Je snelheid is het product van hoe ver je per pas komt (paslengte, in meter) en hoeveel passen je per seconde zet (pasfrequentie, in passen per seconde). Beide factoren tegelijk hoog houden is de kern van sprinten.
Een sprinter legt de 100 meter af in 48 passen. Bereken de gemiddelde paslengte, en leg uit hoe hij bij gelijke pasfrequentie sneller zou kunnen worden.
De gemiddelde paslengte is de afgelegde afstand gedeeld door het aantal passen.
De afstand is 100 m en het aantal passen is 48.
Gemiddeld komt hij ruim 2 meter per pas vooruit. Omdat snelheid = paslengte × pasfrequentie, wordt hij bij gelijke frequentie sneller als hij zijn paslengte iets vergroot — maar alleen zolang die verlenging de frequentie niet omlaagtrekt.
Resultaat: De gemiddelde paslengte is 100 / 48 ≈ 2,08 m. Sneller worden bij gelijke pasfrequentie kan door de paslengte te vergroten, mits de frequentie daardoor niet daalt — anders levert het per saldo niets op.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom een sprinter bijna volledig op de voorvoeten loopt terwijl een duurloper meer op de middenvoet landt. Benoem daarbij welke eis (maximale snelheid versus lang volhouden) elke techniek verklaart, en beschrijf in twee zinnen hoe een estafettewissel zó verloopt dat er geen snelheid verloren gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (atletiek) (CvTE / Examenblad)
De gemeenschappelijke structuur van een springnummer
Een verspringer legt haar aanloop van 30 meter af in 4,2 seconden. Bereken haar gemiddelde aanloopsnelheid en licht toe waarom die snelheid belangrijk is voor de sprong.
De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand gedeeld door de benodigde tijd.
De afstand s is 30 m en de tijd t is 4,2 s.
Ze loopt haar aanloop met gemiddeld ruim 7 m/s. Die horizontale snelheid is de grondstof voor de sprong: in de afzet wordt een deel ervan omgebogen naar de hoogte, dus zonder een snelle, gecontroleerde aanloop is een verre sprong onmogelijk.
Resultaat: De gemiddelde aanloopsnelheid is 30 / 4,2 ≈ 7,1 m/s. Hoe hoger deze (beheersbare) aanloopsnelheid, hoe meer snelheid de afzet kan ombuigen naar de hoogte en dus hoe verder de sprong — mits de afzet die snelheid netjes benut.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf voor een verspringpoging de vier fasen aanloop–afzet–vlucht–landing en geef per fase in één zin het doel. Leg vervolgens uit waarom de afzethoek bij verspringen lager is dan bij hoogspringen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (springnummers) (CvTE / Examenblad)
De drie atletiekfamilies
Een speerwerper legt zijn aanloop van 25 meter af in 3,5 seconden. Bereken zijn gemiddelde aanloopsnelheid en leg uit waarom die snelheid meetelt voor de afstand van de worp.
De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand gedeeld door de tijd.
De afstand s is 25 m en de tijd t is 3,5 s.
Hij nadert de afzet met ruim 7 m/s. Die aanloopsnelheid draagt bij aan de vertreksnelheid van de speer: de aanloop levert alvast snelheid die de bewegingsketen (benen, romp, arm) op het einde aan de speer doorgeeft, en juist de vertreksnelheid weegt het zwaarst voor de afstand.
Resultaat: De gemiddelde aanloopsnelheid is 25 / 3,5 ≈ 7,1 m/s. Hoe meer snelheid de aanloop en de bewegingsketen opbouwen, hoe hoger de vertreksnelheid van de speer en hoe verder de worp — de vertreksnelheid is daarbij de belangrijkste factor.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vergelijk kogelstoten en balwerpen. Beschrijf voor elk hoe de snelheid door de bewegingsketen wordt opgebouwd, en leg uit waarom de kogel wél vanaf de hals wordt gestoten terwijl de bal over de schouder wordt geworpen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen (werpnummers) (CvTE / Examenblad)
Afstand tegen tijd bij een gelijkmatig tempo
Gemiddelde snelheid
De gemiddelde snelheid is de afgelegde afstand s (in meter) gedeeld door de gebruikte tijd t (in seconden); de eenheid is dan meter per seconde (m/s).
Afstand bij constant tempo
Bij een gelijkmatige (constante) snelheid is de afgelegde afstand het product van de snelheid en de tijd; de afstand loopt dan recht evenredig met de tijd op.
Een loper legt de 100 meter af in 14 seconden. Bereken zijn gemiddelde snelheid in m/s en leg uit wat deze waarde wel en niet zegt over zijn snelheid tijdens de race.
Gebruik de gemiddelde snelheid: afstand gedeeld door tijd.
De afstand s is 100 m en de tijd t is 14 s.
De gemiddelde snelheid is ongeveer 7,1 m/s. Dit is een gemiddelde over de hele afstand: vlak na de start is de loper langzamer (hij versnelt nog vanuit stilstand) en in het midden van de race sneller dan 7,1 m/s. Het getal zegt dus iets over de hele prestatie, niet over de topsnelheid op één moment.
Resultaat: De gemiddelde snelheid is 100 / 14 ≈ 7,1 m/s. Deze waarde beschrijft de héle 100 m; ze is lager dan de topsnelheid die de loper halverwege haalt en hoger dan zijn snelheid vlak na de start.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een leerling loopt de 100 meter in 15,4 seconden. Bereken zijn gemiddelde snelheid in m/s. Leg vervolgens uit waarom zijn snelheid vlak na de start lager is dan deze gemiddelde waarde, en noem één bewegingsprincipe waarmee hij zijn tijd zou kunnen verbeteren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein B Bewegen en bewegingsprincipes (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen