Loading
Loading
Welvaart is meer dan geld alleen. Dit onderwerp begint bij het onderscheid tussen welvaart in enge en in ruime zin (de 'brede welvaart'), laat met de economische kringloop zien hoe geld en goederen tussen de sectoren rondstromen, en bouwt van daaruit het bruto binnenlands product (bbp) en de economische groei op. Je leert het bbp op drie manieren berekenen, nominaal van reëel onderscheiden, en met lekken en injecties beredeneren wanneer de kringloop in evenwicht is.
3Onderdelenca. 22min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de kernbegrippen — welvaart in enge en ruime zin, de vijf sectoren van de kringloop, het bbp en het verschil tussen een lek en een injectie — uit het hoofd kunt definiëren en met een eigen voorbeeld kunt illustreren.
verhoogd niveau
Redeneer met de kringloop en de evenwichtsvoorwaarde in onbekende contexten, corrigeer het nominale bbp met indexcijfers naar het reële bbp, en beoordeel onderbouwd waarom het bbp een onvolledige maatstaf voor de welvaart in ruime zin is.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De economische kringloop
lekken en injecties
S = sparen, B = belasting, M = import (invoer); I = investeringen, O = overheidsbestedingen, E = export (uitvoer). Lekken onttrekken geld aan de binnenlandse bestedingskring; injecties voegen er bestedingsgeld aan toe.
Loop de stromen uit de kringloop hierboven langs. Geef per stroom aan of het een interne hoofdstroom tussen huishoudens en bedrijven is, een lek uit de bestedingskring, of een injectie erin. Leg daarna uit waarom de economie alleen in evenwicht is als de lekken samen even groot zijn als de injecties.
De pijlen 'consumptie' (van huishoudens naar bedrijven) en 'inkomen' (van bedrijven naar huishoudens) vormen de kern van de kringloop. Dit geld blijft binnen de kring tussen huishoudens en bedrijven en is dus geen lek en geen injectie.
Sparen (van huishoudens naar de banken), belasting (van huishoudens én bedrijven naar de overheid) en import (de handel waarbij geld naar het buitenland gaat) halen geld uit de binnenlandse bestedingskring. Dit zijn de drie lekken.
Investeringen (bedrijven lenen het spaargeld via de banken weer en kopen er kapitaalgoederen mee — de pijl 'kredieten'), overheidsbestedingen (de overheid besteedt haar belastinggeld weer, onder meer via uitkeringen) en export (het buitenland betaalt voor onze uitvoer) brengen geld terug de kring in. Dit zijn de drie injecties.
Zolang er evenveel geld weglekt als er wordt ingebracht, blijven de totale bestedingen gelijk aan de productie en verandert het inkomen niet. Lekt er meer weg dan er binnenkomt, dan dalen de bestedingen en krimpt de economie; komt er meer binnen dan er weglekt, dan groeit ze. Het evenwicht ligt dus precies waar de lekken samen gelijk zijn aan de injecties.
Resultaat: Resultaat: consumptie en inkomen zijn de interne hoofdstromen; sparen, belasting en import zijn de lekken; investeringen, overheidsbestedingen en export zijn de injecties. De economie is in kringloopevenwicht wanneer sparen + belasting + import precies gelijk is aan investeringen + overheidsbestedingen + export — dan stroomt er evenveel geld uit de kring als erin.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken de economische kringloop met de vijf sectoren huishoudens, bedrijven, overheid, banken en buitenland. Zet bij minstens vier pijlen de juiste geldstroom (bijvoorbeeld consumptie, inkomen, belasting, sparen, export). Geef per stroom aan of het een lek, een injectie of een interne hoofdstroom tussen huishoudens en bedrijven is, en leg in één zin uit waarom welvaart in ruime zin méér omvat dan de geldstromen die je hebt getekend.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het reële bbp over vijf jaar (voorbeeld)
het bbp op drie manieren
Het bruto binnenlands product is langs drie wegen even groot: de som van alle toegevoegde waarden (productie), het totaal verdiende inkomen, en de totale bestedingen. Dat is de kringloopgedachte: elke euro productie is iemands inkomen en iemands besteding.
van nominaal naar reëel bbp
Het nominale bbp meet tegen de lopende prijzen. Door te delen door het prijsindexcijfer en met 100 te vermenigvuldigen, haal je de prijsstijging eruit en houd je het reële bbp over: de verandering in hoeveelheid, niet in prijs.
economische groei
Economische groei is de procentuele verandering van het reële bbp van het ene jaar (t-1) op het volgende (t). Een negatieve uitkomst betekent krimp van de economie.
Een boer verkoopt tarwe voor 30 euro aan een molenaar. De molenaar maakt er meel van en verkoopt dat voor 50 euro aan een bakker. De bakker bakt brood en verkoopt het voor 90 euro aan consumenten. Bereken de toegevoegde waarde van elke schakel en de bijdrage van deze keten aan het bbp, en leg uit waarom je niet 30 + 50 + 90 euro mag optellen.
De boer koopt in dit voorbeeld geen grondstoffen van andere bedrijven in, dus zijn toegevoegde waarde is gelijk aan zijn hele verkoopwaarde: 30 euro.
De molenaar verkoopt voor 50 euro, maar kocht daarvoor de tarwe in voor 30 euro. Zijn toegevoegde waarde is de verkoopwaarde min het intermediair verbruik.
De bakker verkoopt brood voor 90 euro en kocht het meel in voor 50 euro. Zijn toegevoegde waarde is opnieuw verkoopwaarde min inkoopwaarde.
De bijdrage van de keten aan het bbp is de som van de toegevoegde waarden. Die blijkt precies gelijk aan de verkoopwaarde van het eindproduct (het brood).
Resultaat: Resultaat: de toegevoegde waarden zijn 30, 20 en 40 euro, samen 90 euro — precies de verkoopwaarde van het brood. Zou je 30 + 50 + 90 = 170 euro optellen, dan tel je de tarwe drie keer en het meel twee keer mee: dat is dubbeltelling. Door per schakel alleen de toegevoegde waarde te nemen, telt elke euro productie precies één keer.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het nominale bbp van een land stijgt in een jaar met 5%, terwijl het prijspeil met 3% stijgt. Bepaal bij benadering de reële groei en geef aan of de economie echt groter is geworden. Leg vervolgens uit waarom een beleidsmaker naar het reële en niet naar het nominale bbp kijkt, en noem twee zaken die wél bij de welvaart in ruime zin horen maar niet in het bbp zitten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
de effectieve vraag (totale bestedingen)
De effectieve vraag EV is de totale vraag naar het binnenlands product: de consumptie C plus de injecties investeringen I, overheidsbestedingen O en export E, verminderd met de import M, die op buitenlandse productie is gericht.
kringloopevenwicht: lekken = injecties
In evenwicht is de productie gelijk aan de bestedingen. Daaruit volgt dat de lekken (sparen S, belasting B, import M) samen precies gelijk zijn aan de injecties (investeringen I, overheidsbestedingen O, export E).
In een economie zijn de injecties: investeringen 40 miljard euro, overheidsbestedingen 120 miljard euro en export 200 miljard euro. De lekken zijn: sparen 60 miljard euro, belasting 130 miljard euro en import 170 miljard euro. Bepaal of de bestedingen de productie overtreffen, en leg uit wat dit betekent voor het kringloopevenwicht.
De injecties zijn de investeringen, de overheidsbestedingen en de export samen.
De lekken zijn het sparen, de belasting en de import samen.
De som van de injecties is gelijk aan de som van de lekken, dus aan de evenwichtsvoorwaarde is voldaan.
Resultaat: Resultaat: de injecties (360 miljard euro) zijn precies gelijk aan de lekken (360 miljard euro), dus de economie is in kringloopevenwicht: de totale bestedingen zijn gelijk aan de productie en er is geen neiging tot stijging of daling van productie en inkomen. Waren de injecties groter geweest dan de lekken, dan was er een bestedingsoverschot en zouden productie en inkomen stijgen; in het omgekeerde geval een bestedingstekort met dalende productie en inkomen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een gesloten economie zonder overheid bestaan de injecties alleen uit de investeringen (80 miljard euro) en de lekken alleen uit het sparen. Bij het huidige nationaal inkomen wordt 110 miljard euro gespaard. Beredeneer of er een bestedingstekort of een bestedingsoverschot is, en in welke richting het nationaal inkomen zich daarna beweegt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad