Loading
Loading
Niet iedereen verdient evenveel: de inkomensverdeling laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld, en die verdeling is vrijwel nooit volledig gelijk. Dit onderwerp legt eerst de begrippen rond inkomen en ongelijkheid uit — van primair tot tertiair inkomen en van de personele tot de categoriale verdeling — meet de ongelijkheid daarna met de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt, en bekijkt ten slotte hoe de overheid met belastingen, uitkeringen en toeslagen herverdeelt, inclusief de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid.
3Onderdelenca. 22min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je primair, secundair en tertiair inkomen kunt onderscheiden, een Lorenzcurve kunt aflezen, weet dat de Ginicoëfficiënt tussen 0 en 1 ligt, en de instrumenten voor herverdeling (progressieve belasting, uitkeringen, toeslagen) met hun nivellerende effect kunt benoemen.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten over het effect van een maatregel op de Lorenzcurve en de Gini, leg het verband tussen de boldheid van de curve en de Ginicoëfficiënt, en maak in een afruilvraag de spanning tussen gelijkheid en doelmatigheid — de 'lekkende emmer', de armoedeval — expliciet.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
van primair naar secundair inkomen
Het secundaire inkomen ontstaat door op het primaire (markt)inkomen de directe belastingen en sociale premies in mindering te brengen en de ontvangen uitkeringen erbij op te tellen. Voor hoge inkomens is het saldo negatief (ze betalen netto), voor lage inkomens positief (ze ontvangen netto) — daardoor nivelleert deze stap.
gemiddeld belastingtarief
Het gemiddelde tarief is de totale betaalde belasting als percentage van het hele inkomen. Bij een progressieve belasting stijgt dit gemiddelde tarief naarmate het inkomen hoger is, zodat hoge inkomens verhoudingsgewijs meer afdragen.
Anouk heeft een primair inkomen van €2.000 per maand, Bram een primair inkomen van €4.000 per maand. De inkomstenbelasting is progressief: Anouk betaalt gemiddeld 20% belasting, Bram gemiddeld 35%. Bereken voor beiden het secundaire inkomen en laat met de verhouding tussen hun inkomens zien dat de belasting nivelleert.
Vergelijk eerst de primaire inkomens. Bram verdient twee keer zoveel als Anouk, dus de verhouding tussen hun inkomens is 4000 staat tot 2000.
Bereken per persoon de belasting als het gemiddelde tarief maal het inkomen. Anouk betaalt 20% van 2000, Bram 35% van 4000.
Trek de belasting van het primaire inkomen af (er zijn hier geen uitkeringen). Zo krijg je het secundaire inkomen van elk.
Vergelijk nu de secundaire inkomens. De verhouding is kleiner geworden dan de 2,0 van het primaire inkomen, dus de inkomensverschillen zijn relatief afgenomen.
Resultaat: Anouk houdt €1.600 over en Bram €2.600. De inkomensverhouding daalt van 2,0 (primair) naar ongeveer 1,63 (secundair): doordat Bram een hoger gemiddeld tarief betaalt, zijn de inkomensverschillen relatief kleiner geworden. De progressieve belasting werkt dus nivellerend en maakt de secundaire verdeling gelijker dan de primaire.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een werknemer heeft een brutoloon van €3.000 per maand en ontvangt daarnaast €100 rente op spaargeld; een gepensioneerde zonder eigen vermogen of aanvullend pensioen ontvangt alleen €1.400 AOW. Leg voor beiden uit wat hun primaire en wat hun secundaire inkomen is, en beredeneer of de overgang van primair naar secundair inkomen tot nivellering leidt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Lorenzcurve en de lijn van volledige gelijkheid
Ginicoëfficiënt
De Ginicoëfficiënt is het oppervlak tussen de gelijkheidslijn en de Lorenzcurve (A) gedeeld door de hele driehoek onder de diagonaal (A + B). De uitkomst ligt tussen 0 (volledige gelijkheid) en 1 (volledige ongelijkheid): hoe groter A, hoe boller de curve en hoe hoger de Gini.
aandeel van de rijkste groep
Lees je bij de armste x% van de huishoudens een cumulatief inkomensaandeel y af, dan heeft de rijkste (100 − x)% van de huishoudens de rest: 100% min y. Zo bepaal je bijvoorbeeld het aandeel van de rijkste 20% uit het afgelezen aandeel van de armste 80%.
De Lorenzcurve van een land wordt benaderd door , waarbij het cumulatieve percentage huishoudens (van arm naar rijk) is en het cumulatieve percentage inkomen. Lees de curve af bij en bij , bepaal het aandeel van de rijkste 20%, en leg uit hoe een hogere Ginicoëfficiënt hierbij past.
Vul x = 20 in de formule in. De uitkomst is het inkomensaandeel van de armste 20% van de huishoudens.
Vul nu x = 80 in. Dit is het inkomensaandeel van de armste 80% van de huishoudens samen.
Het aandeel van de rijkste 20% is alles wat de armste 80% niet heeft: 100% min het afgelezen percentage van 64%.
Vergelijk met volledige gelijkheid, waar de armste 20% óók 20% zou hebben en de rijkste 20% eveneens 20%. Hier heeft de armste 20% maar 4% en de rijkste 20% maar liefst 36% — de curve bolt sterk door. Een bollere curve betekent een groter oppervlak A en dus een hogere Ginicoëfficiënt.
Resultaat: De armste 20% bezit slechts 4% van het inkomen, de armste 80% bezit 64%, en de rijkste 20% bezit dus 36% — bijna het dubbele van een gelijk aandeel. Doordat de curve flink van de diagonaal af buigt, is het oppervlak A groot en ligt de Ginicoëfficiënt duidelijk boven 0: de verdeling is behoorlijk ongelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van een land is gegeven dat de armste 50% van de huishoudens samen 25% van het inkomen bezit en de armste 80% samen 55%. Teken een schets van de Lorenzcurve met de lijn van volledige gelijkheid, bepaal welk percentage van het inkomen naar de rijkste 20% gaat, en leg uit of de Ginicoëfficiënt dichter bij 0 of bij 1 ligt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Instrumenten voor herverdeling
herverdeling verlaagt de Gini
Doordat de overheid met progressieve belastingen de top afroomt en met uitkeringen en toeslagen de onderkant optilt, is het secundaire inkomen gelijker verdeeld dan het primaire. De Lorenzcurve schuift naar de diagonaal en de Ginicoëfficiënt van het secundaire inkomen is daardoor lager dan die van het primaire inkomen.
marginaal tarief en de prikkel om te werken
Het marginale tarief is het deel van een extra verdiende euro dat als belasting wordt afgedragen. Een hoog marginaal tarief — eventueel nog versterkt door het wegvallen van toeslagen — verkleint de prikkel om meer te werken en kan de armoedeval veroorzaken; dat is de kern van de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid.
Leg uit waarom de Lorenzcurve van het secundaire inkomen dichter bij de lijn van volledige gelijkheid ligt dan die van het primaire inkomen, en bespreek welke afruil de overheid maakt als zij nóg sterker zou nivelleren.
Het primaire inkomen komt rechtstreeks uit de markt: uit arbeid en uit bezit. Mensen zonder baan of vermogen — werklozen, veel gepensioneerden — hebben weinig of geen primair inkomen, terwijl goedverdieners met spaargeld en aandelen veel binnenhalen. De Lorenzcurve van het primaire inkomen bolt daardoor sterk door en de Gini is hoog.
Met de progressieve belasting draagt de top een groter percentage af dan de onderkant. Dat haalt verhoudingsgewijs meer inkomen weg bij de hoge inkomens dan bij de lage.
Met uitkeringen (WW, AOW, bijstand) en toeslagen (huur- en zorgtoeslag) krijgen juist de laagste inkomens er inkomen bij. Samen met stap 2 maakt dit het secundaire inkomen gelijker verdeeld, zodat de Lorenzcurve naar de diagonaal schuift en de Gini daalt.
Zou de overheid nóg sterker nivelleren, dan komt de doelmatigheid in het gedrang. Hoge marginale tarieven en het verlies van toeslagen verkleinen de prikkel om te werken, te studeren en te ondernemen (de armoedeval), en door de 'lekkende emmer' bereikt niet alles wat bij de top wordt weggehaald de onderkant. Meer gelijkheid kan zo ten koste gaan van de totale welvaart.
Resultaat: Omdat de overheid via progressieve belastingen de hoogste inkomens afroomt en via uitkeringen en toeslagen de laagste inkomens optilt, is het secundaire inkomen gelijker verdeeld dan het primaire: de Lorenzcurve schuift naar de diagonaal en de Ginicoëfficiënt daalt. Verder nivelleren botst echter op de afruil met doelmatigheid — zwakkere prikkels en een lekkende emmer — zodat volledige gelijkheid geen doel op zich is.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De overheid verhoogt het tarief van de hoogste belastingschijf en verhoogt tegelijk de zorgtoeslag voor lage inkomens. Leg uit wat er met de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt van het secundaire inkomen gebeurt, en bespreek welk nadeel deze sterkere nivellering volgens de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid kan hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad