Loading
Loading
Dit onderwerp gaat over de korte termijn van de economie: hoe de productie, de werkgelegenheid en de prijzen in golven op en neer bewegen, en hoe de overheid en de centrale bank die golven proberen bij te sturen. Je leert de conjunctuurgolf rond de trend lezen, het begrotingsbeleid van de overheid analyseren (saldo, staatsschuld, automatische stabilisatoren en anticyclisch beleid) en begrijpen hoe de centrale bank met de rente de bestedingen en de inflatie beïnvloedt. Steeds staat de vraag centraal hoe vraag en aanbod op macroniveau samen het beeld van hoog- en laagconjunctuur bepalen.
3Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de fasen van de conjunctuurgolf kunt benoemen (hoogconjunctuur, top, recessie, dal, herstel), het begrotingssaldo kunt berekenen als inkomsten min uitgaven, en in één zin kunt uitleggen wat er gebeurt als de centrale bank de rente verlaagt of verhoogt.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten hoe schommelende bestedingen de conjunctuur aandrijven, hoe automatische stabilisatoren en anticyclisch beleid de golf dempen, en hoe de centrale bank via de rente de inflatie rond de prijsstabiliteit houdt — en weeg daarbij telkens de spanning tussen meer groei en meer inflatie af.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Conjunctuurgolf rond de trend
Bekijk de conjunctuurgolf in de figuur. De stippellijn is de trend (de structurele groei), de doorgetrokken lijn het feitelijke BBP. Leg uit hoe je aan de figuur ziet of de economie in hoogconjunctuur of in laagconjunctuur verkeert, en beschrijf in beide gevallen wat dat betekent voor de werkloosheid en de inflatie.
De trend (stippellijn) geeft aan wat de economie structureel, gemiddeld over de jaren, zou produceren. Het feitelijke BBP (de golvende lijn) beweegt daar in een golf omheen. De conjunctuur lees je af door op elk moment de doorgetrokken lijn met de stippellijn te vergelijken: ligt de feitelijke productie erboven of eronder?
Waar de doorgetrokken lijn bóven de stippellijn ligt, is de feitelijke productie groter dan de trend en is er hoogconjunctuur. De bestedingen zijn hoog (overbesteding), bedrijven draaien op volle capaciteit en nemen veel mensen aan, zodat de werkloosheid laag is. Door de krappe arbeidsmarkt en de hoge vraag lopen de lonen en prijzen op: de inflatie stijgt.
Waar de doorgetrokken lijn ónder de stippellijn ligt, is de feitelijke productie kleiner dan de trend en is er laagconjunctuur. De bestedingen vallen terug (onderbesteding), bedrijven verkopen minder en ontslaan personeel of nemen niemand aan, zodat de (conjuncturele) werkloosheid oploopt. De inflatie blijft dan juist laag of daalt.
Resultaat: In de figuur wisselen hoog- en laagconjunctuur elkaar af rond de trend. Boven de trend (hoogconjunctuur) horen lage werkloosheid en oplopende inflatie; onder de trend (laagconjunctuur) horen hoge werkloosheid en lage inflatie. Het gaat om dit patroon van de golf rond de trend; de getoonde getallen zijn illustratief.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een land daalt het consumentenvertrouwen sterk; gezinnen stellen grote aankopen uit en bedrijven schrappen investeringen. Leg uit waardoor de economie hierdoor in een laagconjunctuur terechtkomt, beschrijf wat er met de feitelijke productie ten opzichte van de trend gebeurt, en geef beredeneerd aan wat dit betekent voor de werkloosheid en de inflatie.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
begrotingssaldo
Het begrotingssaldo over een jaar is het verschil tussen de overheidsinkomsten (vooral belastingen en premies) en de overheidsuitgaven. Een positief saldo is een overschot, een negatief saldo een tekort.
tekort vergroot de staatsschuld
De staatsschuld aan het eind van een jaar is de schuld van het begin van het jaar plus het tekort van dat jaar (bij een overschot trek je dat overschot juist af). Zo is de staatsschuld de optelsom van alle tekorten min de overschotten uit het verleden.
Een overheid heeft in een jaar 290 miljard euro aan inkomsten (vooral belastingen) en 320 miljard euro aan uitgaven. Bereken het begrotingssaldo, geef aan of het een overschot of een tekort is, en leg uit wat dit met de staatsschuld doet. Leg ten slotte uit wat automatische stabilisatoren in een recessie doen.
Het begrotingssaldo is de inkomsten min de uitgaven in dat jaar. Vul de bedragen (in miljarden euro) in.
Het saldo is negatief: de overheid geeft 30 miljard euro méér uit dan ze binnenkrijgt. Dat is dus geen overschot maar een begrotingstekort van 30 miljard euro.
Dat tekort van 30 miljard moet de overheid bíj lenen, bijvoorbeeld door staatsobligaties uit te geven. Daardoor groeit de staatsschuld dit jaar met 30 miljard. De staatsschuld is immers de optelsom van alle tekorten uit het verleden: elk tekort maakt hem groter, elk overschot kleiner.
Komt de economie in een recessie, dan dalen de belastinginkomsten vanzelf (lagere inkomens en winsten, minder bestedingen) en stijgen de uitgaven vanzelf (meer werkloosheidsuitkeringen). Het tekort loopt daardoor op, maar precies die extra overheidsbestedingen en lagere belastingen houden de totale bestedingen op peil en dempen zo de neergang — zonder dat de politiek een nieuw besluit hoeft te nemen.
Resultaat: Het begrotingssaldo is miljard euro: een tekort van 30 miljard, dat de staatsschuld met 30 miljard vergroot. Automatische stabilisatoren laten het tekort in een recessie vanzelf oplopen en dempen daarmee de conjuncturele klap; in een hoogconjunctuur werken ze omgekeerd en remmen ze de economie af.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een land glijdt in een recessie. Leg uit wat er zonder nieuw beleid vanzelf met de belastinginkomsten, de werkloosheidsuitgaven en het begrotingssaldo gebeurt (de automatische stabilisatoren), en waarom dit de neergang dempt. Leg daarna uit welke extra stap een overheid zou zetten als ze anticyclisch begrotingsbeleid wil voeren, en wat dat voor de staatsschuld betekent.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De transmissie van het rentebeleid
inflatiepercentage uit de CPI
Het inflatiepercentage is de procentuele stijging van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van een jaar eerder: het nieuwe indexcijfer min het oude, gedeeld door het oude, maal honderd procent.
De inflatie is laag en de economie groeit nauwelijks. De centrale bank besluit de rente te verlagen. Beschrijf stap voor stap, volgens de transmissieketen in de figuur, hoe deze renteverlaging via meer lenen en meer bestedingen tot meer productie en mogelijk meer inflatie leidt. Leg ten slotte uit wanneer de bank juist de rente zou verhogen.
De centrale bank zet de rente omlaag. Daardoor wordt het voor huishoudens en bedrijven goedkoper om geld te lenen, terwijl sparen minder oplevert. Dit is de eerste schakel van de transmissieketen.
Omdat lenen goedkoper is geworden, sluiten huishoudens en bedrijven méér kredieten af. Een gezin neemt eerder een hypotheek of een lening voor een auto; een bedrijf leent om een nieuwe machine of een uitbreiding te financieren.
Met dat geleende geld — en doordat sparen minder aantrekkelijk is — stijgen de consumptie en de investeringen, samen de bestedingen. Mensen en bedrijven geven dus relatief meer uit dan ze oppotten.
De hogere bestedingen betekenen meer vraag naar goederen en diensten. Bedrijven gaan meer produceren en nemen mensen aan: het BBP groeit en de werkloosheid daalt. Loopt de economie daarbij tegen de grens van haar capaciteit aan, dan drijft de extra vraag de prijzen op en neemt de inflatie toe.
Resultaat: Een renteverlaging werkt via de keten rente omlaag, meer lenen, meer bestedingen, meer productie en mogelijk meer inflatie; ze is bedoeld om een trage economie te stimuleren. Dreigt de inflatie juist te hoog op te lopen, dan doet de bank het omgekeerde: ze verhóógt de rente, waardoor lenen duurder wordt, de bestedingen afnemen en de inflatie weer richting de prijsstabiliteit (rond de 2 procent) zakt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De inflatie in de eurozone loopt op tot ver boven de 2 procent. Leg uit of de centrale bank de rente zou verlagen of verhogen, en beschrijf via de transmissieketen (rente, lenen, bestedingen, productie en inflatie) waarom dat de inflatie afremt. Geef ook aan welk nadeel deze maatregel voor de economische groei kan hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad