Loading
Loading
Speltheorie bestudeert strategische situaties waarin jouw beste keuze afhangt van wat de ander doet, zodat de uitkomst van beide spelers samen afhangt. Met de bouwstenen spelers, strategieën en payoffs lees je een payoffmatrix, spoor je een dominante strategie en het Nash-evenwicht op, en zie je in het gevangenendilemma waarom individueel eigenbelang tot een collectief slechter resultaat kan leiden. Dit onderwerp bouwt die logica stap voor stap op en past haar toe op samenwerking, kartels en het onderhandelen over de winst van samenwerken.
3Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de bouwstenen (spelers, strategieën, payoffs) kent, een payoffmatrix correct kunt aflezen en het gevangenendilemma in eigen woorden kunt uitleggen: samen zwijgen is voor beiden het beste, maar toch bekennen beiden.
verhoogd niveau
Spoor in een onbekende payoffmatrix zelfstandig de dominante strategie en het Nash-evenwicht op door per speler de beste reactie te bepalen, beoordeel of de uitkomst Pareto-efficiënt is, en pas de redenering toe op kartels, herhaalde spelen en het verdelen van de samenwerkingswinst.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Payoffmatrix van het gevangenendilemma
Bekijk de payoffmatrix van het gevangenendilemma (jaren straf voor het paar (A, B)). Leg uit waarom de uitkomst (zwijgen, zwijgen) met (−1, −1) voor beide verdachten beter is dan (bekennen, bekennen) met (−5, −5), maar waarom die goede uitkomst toch niet stabiel is.
Bij (zwijgen, zwijgen) krijgt elke verdachte 1 jaar, samen 2 jaar. Bij (bekennen, bekennen) krijgt elk 5 jaar, samen 10 jaar. Voor de verdachten als groep is samen zwijgen dus veruit het beste: (−1, −1) is voor allebei beter dan (−5, −5).
Stel dat A en B hebben afgesproken te zwijgen. A vraagt zich af: als B zich aan de afspraak houdt en zwijgt, wat gebeurt er dan als ik tóch beken? Dan schuift A van (zwijgen, zwijgen) met −1 naar (bekennen, zwijgen) met 0 jaar — A gaat vrijuit. Bekennen levert A dus 1 jaar minder straf op.
Wat voor A geldt, geldt door de symmetrie van de matrix ook voor B: ook B wint door te bekennen terwijl de ander zwijgt. Allebei hebben ze er belang bij om als eerste van de afspraak af te wijken, en daardoor is het onderlinge vertrouwen wankel.
Omdat ze apart worden verhoord en hun afspraak niet kunnen afdwingen, geeft ieder toe aan die verleiding en bekennen ze allebei. De stabiele uitkomst is daarom (bekennen, bekennen) met (−5, −5), ook al was (zwijgen, zwijgen) voor hen samen veel beter.
Resultaat: Resultaat: (zwijgen, zwijgen) is collectief het beste, maar niet stabiel — elke speler kan zich individueel verbeteren door te bekennen, dus belanden beiden in (bekennen, bekennen). Precies dat aanwijzen — een uitkomst waarvan niemand eenzijdig wil afwijken — doe je met het Nash-evenwicht uit het volgende onderdeel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg in eigen woorden uit wat een payoffmatrix is en benoem de drie bouwstenen van een spel. Beschrijf vervolgens het gevangenendilemma en beredeneer waarom de uitkomst (zwijgen, zwijgen) met (−1, −1) voor de twee verdachten samen beter is dan (bekennen, bekennen) met (−5, −5).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
bekennen is de dominante strategie van speler A
Wat B ook kiest, A komt met bekennen beter uit: zwijgt B, dan is 0 jaar beter dan 1 jaar straf; bekent B, dan is 5 jaar beter dan 10 jaar straf. Daarom is bekennen voor A dominant, en door de symmetrie van de matrix ook voor B — zodat (bekennen, bekennen) het Nash-evenwicht is.
Gebruik de payoffmatrix van het gevangenendilemma uit het vorige onderdeel (jaren straf voor (A, B)). Bepaal voor speler A de dominante strategie en concludeer wat het Nash-evenwicht van het spel is.
Houd B's keuze „zwijgen” vast en vergelijk de payoffs van A (het eerste getal in de cel). A die zwijgt geeft −1, A die bekent geeft 0. Omdat is bekennen de beste reactie van A.
Houd nu B's keuze „bekennen” vast. A die zwijgt geeft −10, A die bekent geeft −5. Omdat is bekennen opnieuw de beste reactie van A.
In beide gevallen is bekennen de beste reactie, ongeacht wat B doet. Bekennen is dus de dominante strategie van A. Door de symmetrie van de matrix geldt precies hetzelfde voor B: ook voor B is bekennen dominant.
Omdat beide spelers hun dominante strategie spelen, is de uitkomst (bekennen, bekennen) met payoff (−5, −5). In die cel wil niemand eenzijdig afwijken — wie alleen overstapt naar zwijgen gaat van −5 naar −10 — dus dit is het Nash-evenwicht. Het is niet Pareto-efficiënt, want (zwijgen, zwijgen) met (−1, −1) is voor beiden beter.
Resultaat: Resultaat: bekennen is voor A (en door symmetrie ook voor B) de dominante strategie, en het Nash-evenwicht is (bekennen, bekennen) met (−5, −5). Dat dit evenwicht voor beiden slechter is dan samen zwijgen, illustreert dat een Nash-evenwicht niet Pareto-efficiënt hoeft te zijn.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal in de payoffmatrix van het gevangenendilemma uit het vorige onderdeel (jaren straf voor (A, B)) of speler A een dominante strategie heeft, door voor elke keuze van B de beste reactie van A te bepalen. Geef vervolgens het Nash-evenwicht van het spel en leg uit of dat Pareto-efficiënt is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Payoffmatrix van een prijzenoorlog tussen twee bedrijven
Gebruik de payoffmatrix van de twee bedrijven (winst in miljoenen voor (A, B)). Leg uit dat (lage prijs, lage prijs) met (2, 2) het Nash-evenwicht is, hoewel (hoge prijs, hoge prijs) met (5, 5) voor beide bedrijven beter zou zijn — en waarom een (verboden) kartelafspraak om samen de hoge prijs te houden instabiel is.
Houd B's keuze „lage prijs” vast en vergelijk de winst van A (het eerste getal in de cel). A met een lage prijs geeft 2, A met een hoge prijs geeft 1. Omdat kiest A een lage prijs.
Houd nu B's keuze „hoge prijs” vast. A met een lage prijs geeft 8, A met een hoge prijs geeft 5. Omdat kiest A opnieuw een lage prijs.
Wat B ook doet, voor A is een lage prijs de beste reactie — een lage prijs is dus dominant, en door de symmetrie geldt dat ook voor B. Beide bedrijven kiezen daarom een lage prijs en belanden in (lage prijs, lage prijs) met (2, 2): het Nash-evenwicht, want niemand wil daar eenzijdig van afwijken.
Bij (hoge prijs, hoge prijs) verdient elk 5 mln — samen beter dan 2 mln elk. Maar spreken de bedrijven dat af, dan kan elk bedrijf door als enige tóch de prijs te verlagen zijn winst van 5 naar 8 mln tillen. Die verleiding geldt voor beide, dus de afspraak houdt geen stand: het kartel is instabiel. Bovendien zijn zulke prijsafspraken verboden en kan de ACM ze beboeten.
Resultaat: Resultaat: een lage prijs is voor beide bedrijven dominant, zodat (lage prijs, lage prijs) met (2, 2) het Nash-evenwicht is, ook al levert (hoge prijs, hoge prijs) met (5, 5) hun samen meer op. De prikkel om heimelijk af te wijken maakt een kartelafspraak instabiel — en het kartelverbod maakt haar bovendien onwettig.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee bedrijven kunnen een lage of een hoge prijs vragen (winst in miljoenen). Leg uit waarom een afspraak om samen een hoge prijs te houden voor beide bedrijven winstgevend is, maar waarom zo'n kartel toch instabiel is. Betrek in je antwoord het Nash-evenwicht en de prikkel om eenzijdig af te wijken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad