Loading
Loading
Schaarste is het startpunt van de hele economie: onze behoeften zijn vrijwel onbegrensd, terwijl de middelen om ze te vervullen altijd beperkt zijn. Daardoor moet er voortdurend gekozen worden, en aan elke keuze hangt een prijs — de alternatieve kosten. Dit onderwerp bouwt die kernlogica stap voor stap op, van behoeften en productiefactoren via het maken van keuzes tot de productiemogelijkhedencurve.
3Onderdelenca. 20min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de kernbegrippen — schaarste, behoeften, productiefactoren en alternatieve kosten — uit het hoofd kunt definiëren en met een eigen voorbeeld kunt illustreren.
verhoogd niveau
Redeneer met alternatieve kosten en marginale afwegingen in onbekende contexten en koppel die aan de vorm en de verschuiving van de productiemogelijkhedencurve.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Een bakkerij bakt en verkoopt brood. De eigenaar heeft personeel in dienst, gebruikt een winkelpand op grond in het centrum, heeft een grote oven gekocht en organiseert de hele onderneming op eigen risico. Benoem per productiefactor de inzet in deze bakkerij en de bijbehorende beloning.
Het personeel dat het brood bakt en verkoopt, levert lichamelijke en geestelijke inspanning: de productiefactor arbeid. De beloning voor arbeid is loon.
De grond waarop het pand staat is de productiefactor natuur, met als beloning pacht. De oven en het gebouw zijn door mensen gemaakte productiemiddelen, dus kapitaalgoederen (kapitaal); de beloning daarvoor is rente of huur.
De eigenaar combineert arbeid, natuur en kapitaal en draagt het risico van de onderneming: dat is ondernemerschap. De beloning is de winst die overblijft nadat loon, pacht en rente zijn betaald.
Resultaat: Resultaat: arbeid → loon, natuur → pacht, kapitaal → rente of huur, ondernemerschap → winst. Met dit schema kun je in elke bedrijfscontext de ingezette productiefactoren en de inkomens die ze opleveren uit elkaar halen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een pizzakoerier bezorgt pizza's met een geleende scooter vanuit een gehuurd pand. Noem de vier productiefactoren die hier worden ingezet, geef bij elke factor de bijbehorende beloning, en leg uit of de benzine voor de scooter een vrij of een economisch goed is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Van schaarste naar alternatieve kosten
alternatieve kosten (opofferingskosten)
De echte kosten van een keuze zijn de waarde van het beste alternatief dat je opgeeft — niet de som van alle alternatieven samen.
marginale beslisregel
Voer een activiteit uit zolang de marginale baten minstens zo groot zijn als de marginale kosten; het optimum ligt precies waar ze aan elkaar gelijk zijn.
Je hebt vanavond drie uur vrij. Je kunt die tijd gebruiken om te werken voor 10 euro per uur, of je gaat naar de bioscoop; een kaartje kost 12 euro. Werken is je beste alternatief voor de bioscoop. Bepaal de alternatieve kosten van de bioscoopavond en de totale economische kosten ervan.
Het beste alternatief voor de bioscoop is drie uur werken. Reken eerst uit wat dat zou opleveren: drie uur tegen 10 euro per uur.
De alternatieve kosten zijn de waarde van dat beste opgegeven alternatief: de 30 euro aan verdienste die je misloopt door niet te werken.
Naast de gemiste verdienste betaal je ook nog 12 euro voor het kaartje. De gemiste verdienste en de uitgave samen vormen de totale economische kosten.
Resultaat: Resultaat: de zuivere alternatieve kosten van de bioscoopavond zijn 30 euro (de best opgegeven besteding van je tijd); tel je het kaartje van 12 euro erbij, dan zijn de totale economische kosten 42 euro. Het kaartje alleen — 12 euro — is dus een veel te lage schatting van wat de avond je werkelijk kost.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je hebt zaterdag vrij en kunt kiezen: een dag werken voor 80 euro, een dag studeren (door jou gewaardeerd op 50 euro) of een dag naar het strand (gewaardeerd op 60 euro). Je kiest het strand. Bepaal de alternatieve kosten van die keuze en licht toe waarom je niet 110 euro als antwoord geeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De productiemogelijkhedencurve
helling van de PMC
De helling geeft aan hoeveel van goed 2 je opoffert voor één extra eenheid van goed 1 — precies de alternatieve kosten van dat extra goed.
In de figuur ligt punt A binnen de curve, punt B op de curve en punt C erbuiten. Leg uit waarom A inefficiënt is, wat B voorstelt en waarom C voorlopig onbereikbaar is, en geef aan hoe economische groei C bereikbaar kan maken.
A ligt binnen de curve, dus er wordt minder geproduceerd dan met de beschikbare productiefactoren mogelijk is. Er zijn onbenutte middelen — denk aan werkloosheid of stilstaande machines — waardoor van beide goederen méér gemaakt zou kunnen worden. A is daarom inefficiënt.
B ligt op de curve, waar alle productiefactoren volledig en efficiënt worden benut. Meer van het ene goed kan hier alleen nog door minder van het andere te maken; B stelt dus een efficiënte productiecombinatie voor.
C ligt buiten de curve en vergt meer productiefactoren of betere techniek dan er nu beschikbaar zijn. Met de huidige middelen is C daarom onbereikbaar.
Bij economische groei — meer of betere productiefactoren, of nieuwe technologie — schuift de hele curve naar buiten. Komt de nieuwe curve voorbij C te liggen, dan wordt C alsnog haalbaar.
Resultaat: Resultaat: A is inefficiënt (onbenutte productiefactoren), B is een efficiënte combinatie op de grens van wat mogelijk is, en C is nu onbereikbaar. Pas wanneer economische groei de hele curve naar buiten verschuift, kan een punt als C binnen het bereik van de economie komen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Teken een productiemogelijkhedencurve met consumptiegoederen en kapitaalgoederen op de assen. Plaats een efficiënt punt, een inefficiënt punt en een onbereikbaar punt, leg per punt uit waarom het daar ligt, en laat met een pijl zien wat er met de curve gebeurt bij economische groei.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad