Loading
Loading
Dit onderwerp is de rekengereedschapskist van economie: procenten en groeifactoren, indexcijfers, het verschil tussen nominaal en reëel, en het correct en kritisch aflezen van tabellen en grafieken. Deze vaardigheden uit domein A keren in vrijwel elke contextopgave van het centraal examen terug. Wie ze beheerst, kan een economische context omzetten in een betrouwbare berekening én in een heldere conclusie.
4Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 2
basisniveau
Voor het CE: reken vlot en foutloos met procenten, groeifactoren, indexcijfers en het verschil tussen nominaal en reëel — dit rekengereedschap heb je bij vrijwel elke contextopgave nodig.
verhoogd niveau
Voor de verdieping: keten indexcijfers en groeifactoren over meerdere jaren, reken samengestelde (gewogen) indexcijfers en reële grootheden exact uit, en doorzie misleidend gepresenteerde grafieken.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Van procentuele verandering naar groeifactor
Relatieve verandering
Het verschil tussen nieuw en oud, afgezet tegen de oude waarde en uitgedrukt in procenten.
Toename met p%
Bij een toename van p% vermenigvuldig je met de groeifactor 1 + p/100.
Afname met p%
Bij een afname van p% vermenigvuldig je met de groeifactor 1 − p/100.
Terugrekenen
Ken je de waarde na de verandering, dan deel je door de groeifactor g om de beginwaarde terug te vinden.
Een product kost € 200. De prijs stijgt eerst met 10% en daalt daarna met 10%. Bereken de eindprijs en leg uit waarom die niet € 200 is.
Bij een toename van 10% hoort de groeifactor ; bij een afname van 10% hoort de groeifactor .
Na de stijging: euro. Daarna de daling, berekend over € 220: euro.
De netto-groeifactor is , dus een netto daling van 1%. De daling van 10% wordt namelijk over € 220 berekend (− € 22) en is daarmee groter dan de eerdere stijging van € 20.
Resultaat: De eindprijs is € 198,00 — precies 1% lager dan € 200. De stijging en de daling heffen elkaar niet op, omdat de procentuele daling over een groter bedrag wordt genomen dan de procentuele stijging.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een winkelier verhoogt de prijs van een artikel van € 80 eerst met 25% en geeft daarna 20% korting op de nieuwe prijs. Bereken de eindprijs met groeifactoren en bepaal het netto procentuele effect ten opzichte van € 80. Leg uit waarom dat effect niet is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Prijsindexcijfer 2021–2024
Enkelvoudig indexcijfer
De waarde in een jaar gedeeld door de waarde in het basisjaar, maal 100; het basisjaar staat op 100.
Omrekenen naar een nieuw basisjaar
Deel elk indexcijfer door het indexcijfer van het gekozen nieuwe basisjaar en vermenigvuldig met 100 (herbasen).
Gewogen prijsindexcijfer
Een gewogen gemiddelde van de prijsindexcijfers; de gewichten zijn de bestedingsaandelen en tellen samen op tot 1.
Het prijsindexcijfer is 121 in 2023, met 2021 als basisjaar (2021 = 100); in 2022 was het 110. Bereken de prijsstijging over 2021–2023 en de prijsstijging van 2022 op 2023.
Het basisjaar 2021 staat op 100. Een indexcijfer van 121 in 2023 betekent direct dat de prijzen 21% hoger liggen dan in 2021.
Van 2022 (110) naar 2023 (121) deel je niet door 100 maar door 110: .
De groeifactor is , wat de stijging van 10% bevestigt.
Resultaat: Over 2021–2023 stegen de prijzen met 21%, en in het laatste jaar (2022→2023) met 10%. De totale stijging van 21% is dus niet de som van twee jaarstijgingen van 10%, maar het resultaat van het ketenen van de groeifactoren: .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het prijsindexcijfer van een product is 125 met 2018 als basisjaar (2018 = 100). In 2024 is het indexcijfer 150. Bereken de prijsstijging over de hele periode 2018–2024 en de prijsstijging van 125 naar 150. Reken dat tweede antwoord uit met een groeifactor.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Van nominaal loon naar reëel loon
Nominaal naar reëel
Het nominale indexcijfer gedeeld door het prijsindexcijfer, maal 100; onder de 100 betekent koopkrachtverlies.
Reële groeifactor
De reële groeifactor is de nominale groeifactor gedeeld door de prijsgroeifactor — de exacte manier om koopkracht te bepalen.
Reële rente (benadering)
Een snelle schatting van de koopkrachtwinst op spaargeld of de last van een lening; exact via de groeifactoren.
Het nominale loon stijgt van € 2000 naar € 2100 (een stijging van 5%), terwijl de prijzen in datzelfde jaar met 3% stijgen. Bereken de reële loonstijging (de koopkrachtverandering) met groeifactoren.
Het loon stijgt met 5%, dus de nominale groeifactor is . De prijzen stijgen met 3%, dus de prijsgroeifactor is .
De reële groeifactor is de nominale groeifactor gedeeld door de prijsgroeifactor: .
Een groeifactor van hoort bij een stijging van . De vuistregel komt dicht in de buurt, maar is een schatting.
Resultaat: De koopkracht (het reële loon) stijgt met ongeveer 1,9%. Het nominale loon steeg met 5%, maar door de inflatie van 3% blijft daar reëel maar circa 1,9% van over — iets minder dan de 2% die de vuistregel suggereert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Het nominale loon van een werknemer stijgt in een jaar met 6%. In datzelfde jaar bedraagt de inflatie 4%. Bereken de reële loonstijging exact met groeifactoren en vergelijk je antwoord met de snelle vuistregel (nominaal − inflatie). Leg uit welke van de twee het juiste antwoord geeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Omzet bij verschillende prijs en afzet
Omzet (totale opbrengst)
De omzet is de prijs maal de verkochte hoeveelheid; hieruit reken je elke onbekende terug.
Terugrekenen uit de omzet
Ken je twee van de drie grootheden, dan vind je de derde door te delen.
Bij een prijs van € 5 worden 200 stuks verkocht. Bereken de omzet. Daarna stijgt de prijs naar € 6 en daalt de afzet naar 180 stuks. Bereken de nieuwe omzet en beoordeel of de prijsverhoging gunstig is.
Gebruik met en : euro.
Nu is en , dus euro.
De omzet stijgt van € 1000 naar € 1080, een toename van . Hoewel de afzet daalde, woog de prijsstijging zwaarder, zodat de omzet per saldo toeneemt.
Resultaat: De omzet stijgt van € 1000 naar € 1080 (+8%). Voor de omzet pakt de prijsverhoging gunstig uit, omdat de afzet relatief minder daalde dan de prijs steeg — een hogere prijs leidt dus niet altijd, maar hier wél tot meer omzet.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een prijs van € 5 worden 200 stuks van een product verkocht. Bereken de omzet. De prijs gaat daarna naar € 6 en de afzet daalt naar 180 stuks. Bereken de nieuwe omzet en leg uit of de prijsverhoging voor dit bedrijf gunstig uitpakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad