Loading
Loading
Mensen worden er allebei beter van als ze vrijwillig ruilen, en die ruil wordt pas echt lonend zodra ieder zich specialiseert in wat hij het beste kan. Dit onderwerp bouwt die logica stap voor stap op: waarom arbeidsverdeling en specialisatie de productiviteit verhogen, hoe geld de ruil praktisch mogelijk maakt via zijn drie functies, en hoe het comparatieve voordeel bepaalt wie zich waarin specialiseert.
3Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 1
basisniveau
Zorg dat je de kernbegrippen — ruil, arbeidsverdeling, specialisatie, productiviteit, de drie functies van geld en absoluut en comparatief voordeel — uit het hoofd kunt definiëren en met een eigen voorbeeld kunt illustreren.
verhoogd niveau
Reken in onbekende contexten met alternatieve kosten: bepaal uit een productietabel het comparatieve voordeel en een voordelige ruilvoet, en beredeneer waarom specialisatie de totale productie verhoogt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Van arbeidsverdeling naar ruil
arbeidsproductiviteit
De arbeidsproductiviteit is de productie per arbeider (of per gewerkt uur). Stijgt de productie bij gelijke inzet, bijvoorbeeld door arbeidsverdeling, dan stijgt de productiviteit.
In een kleine drukkerij vouwen, nieten en verpakken twee medewerkers elk in hun eentje complete brochures. Samen maken ze 40 brochures per uur. Ze verdelen het werk: de één vouwt en niet, de ander controleert en verpakt. Daarna maken ze samen 60 brochures per uur. Bereken de arbeidsproductiviteit per medewerker vóór en ná de arbeidsverdeling en bepaal de procentuele stijging.
Deel de totale productie door het aantal medewerkers. Samen 40 brochures per uur, gedeeld door 2 medewerkers, geeft 20 brochures per medewerker per uur.
Dezelfde twee mensen en dezelfde uren, maar nu 60 brochures per uur. Gedeeld door 2 medewerkers is dat 30 brochures per medewerker per uur.
De productiviteit ging van 20 naar 30 per medewerker. De toename van 10 ten opzichte van de oude 20 is een stijging van 50 procent.
Resultaat: Resultaat: de arbeidsproductiviteit steeg van 20 naar 30 brochures per medewerker per uur, een stijging van 50 procent. Met precies dezelfde mensen en uren wordt door het werk te verdelen en zich te specialiseren de helft meer geproduceerd — en omdat ieder nu maar een deeltaak doet, kan geen van beiden nog in zijn eentje een complete brochure leveren: ze zijn volledig op elkaar (en op ruil) aangewezen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een werkplaats maken twee meubelmakers elk in hun eentje complete stoelen: samen tien stoelen per dag. Ze besluiten het werk te verdelen — de één zaagt en schaaft alle onderdelen, de ander zet ze in elkaar en lakt — en maken voortaan zestien stoelen per dag. Bereken de arbeidsproductiviteit per meubelmaker vóór en ná de arbeidsverdeling, en leg uit waarom de meubelmakers nu volledig van ruil afhankelijk zijn geworden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De drie functies van geld
samenstelling van de maatschappelijke geldhoeveelheid
De geldhoeveelheid in handen van het publiek bestaat uit tastbaar chartaal geld (munten en biljetten) plus giraal geld (tegoeden op rekeningen). Het grootste deel ervan is tegenwoordig giraal.
Indirecte ruil via geld
Een bakker heeft nieuwe schoenen nodig. Hij zoekt de schoenmaker op om brood tegen schoenen te ruilen, maar de schoenmaker heeft geen trek in brood — hij wil graag een kilo kaas. Leg stap voor stap uit waarom de directe ruil mislukt en hoe geld de bakker alsnog aan schoenen helpt.
Directe ruil lukt alleen als de bakker iets aanbiedt dat de schoenmaker wil én andersom. De bakker wil schoenen — die ene kant klopt — maar de schoenmaker wil geen brood, hij wil kaas, dus de andere kant ontbreekt. Zonder die dubbele samenval mislukt de ruil.
Zonder geld zou de bakker eerst zijn brood moeten ruilen tegen kaas, bij iemand die brood wil én kaas over heeft, en pas daarna die kaas tegen schoenen. Dat is een lange keten van toevallige matches die in de praktijk zelden rondkomt.
Met geld hoeft de bakker niemand te vinden die zowel brood wil als schoenen over heeft. Hij verkoopt zijn brood aan willekeurige klanten voor geld (geld als ruilmiddel) en koopt daarmee de schoenen bij de schoenmaker. De schoenmaker neemt het geld graag aan, want hij koopt er zelf zijn kaas mee.
Onderweg doet geld nog twee dingen: het maakt brood en schoenen vergelijkbaar in dezelfde eenheid euro's (rekenmiddel), zodat de bakker weet hoeveel broden een paar schoenen waard is, en het laat hem zijn opbrengst desgewenst bewaren tot hij de schoenen koopt (spaarmiddel).
Resultaat: Resultaat: directe ruil strandt op de ontbrekende dubbele samenval van behoeften, maar als ruilmiddel knipt geld de ruil in twee losse stappen — brood → geld → schoenen — zodat de bakker en de schoenmaker allebei krijgen wat ze willen, zonder dat hun wensen toevallig hoeven samen te vallen. Onderweg dient geld tegelijk als rekenmiddel en spaarmiddel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een visser wil graag een nieuwe broek, maar de kleermaker lust geen vis. Leg uit op welk probleem deze poging tot directe ruil vastloopt, beschrijf hoe de visser met behulp van geld via indirecte ruil tóch aan zijn broek komt, en geef bij elk van de drie functies van geld aan welke rol het in dit verhaal speelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Comparatief voordeel: productie per uur
alternatieve kosten uit een productietabel
De alternatieve kosten van één eenheid van een goed zijn de hoeveelheid van het andere goed die je in diezelfde tijd had kunnen maken, gedeeld door de hoeveelheid die je nu wint. De partij met de láágste waarde heeft het comparatieve voordeel.
voordelige ruilvoet (voorbeeld Anna en Ben)
De ruilvoet moet tussen de alternatieve kosten van beide partijen liggen. Kost 1 brood Anna 1/3 kaas en Ben 1 kaas, dan is elke ruilvoet daartussenin voor allebei voordelig.
Anna maakt per uur 6 broden of 2 kazen; Ben maakt per uur 3 broden of 3 kazen. Bepaal wie het absolute voordeel heeft, bereken de alternatieve kosten van één brood voor elk, wijs het comparatieve voordeel toe en leg uit waarom specialisatie de totale productie verhoogt.
Vergelijk de productie per uur recht uit de tabel. Anna maakt meer broden dan Ben (6 tegen 3), dus Anna heeft het absolute voordeel bij brood. Ben maakt meer kazen dan Anna (3 tegen 2), dus Ben heeft het absolute voordeel bij kaas. Het absolute voordeel zegt echter nog niet wie zich waarin moet specialiseren — daarvoor kijken we naar de alternatieve kosten.
In de tijd van 6 broden maakt Anna 2 kazen, dus 1 brood kost haar 2/6 = 1/3 kaas. In de tijd van 3 broden maakt Ben 3 kazen, dus 1 brood kost hem 3/3 = 1 kaas.
Anna offert voor 1 brood maar 1/3 kaas op, Ben een hele kaas. Anna heeft dus de laagste alternatieve kosten bij brood en daarmee het comparatieve voordeel bij brood. Omgekeerd kost 1 kaas Anna 3 broden en Ben maar 1 brood, dus Ben heeft het comparatieve voordeel bij kaas. Anna specialiseert in brood, Ben in kaas.
Door te specialiseren steekt elk zijn tijd in het goed waar hij het minst voor opoffert. Anna maakt nu alleen brood, Ben alleen kaas; samen produceren ze meer broden én meer kazen dan wanneer beiden hun tijd over beide goederen verdeelden. Een voordelige ruilvoet voor 1 brood ligt tussen Anna's 1/3 kaas en Ben's 1 kaas, zodat beiden er via ruil op vooruitgaan.
Resultaat: Resultaat: Anna heeft het absolute én het comparatieve voordeel bij brood (alternatieve kosten 1/3 kaas tegen Bens 1 kaas), terwijl Ben het comparatieve voordeel bij kaas heeft. Laten beiden zich daarin specialiseren en ruilen tegen een ruilvoet tussen 1/3 en 1 kaas per brood, dan stijgt de totale productie en winnen Anna én Ben.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een uur maakt Daan 4 tafels of 8 krukken; Eva maakt in een uur 1 tafel of 4 krukken. Bereken voor allebei de alternatieve kosten van één tafel (uitgedrukt in krukken), bepaal wie het comparatieve voordeel bij tafels heeft en wie bij krukken, en geef een ruilvoet voor één tafel waarbij beiden voordeel hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad