Loading
Loading
Dit onderwerp laat zien wanneer de vrije markt faalt — wanneer het marktevenwicht niet samenvalt met de maatschappelijk beste uitkomst — en wat de overheid daaraan kan doen. Je leert de belangrijkste vormen van marktfalen kennen (externe effecten, collectieve goederen en, kort, marktmacht en informatieproblemen) en de instrumenten waarmee de overheid ingrijpt: heffingen, subsidies, eigen voorziening en prijsregulering. Steeds staat de vraag centraal of dat ingrijpen de welvaart verhoogt of dat het zelf nieuwe verstoringen oproept (overheidsfalen).
3Onderdelenca. 23min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 1
basisniveau
Zorg dat je de drie kernbegrippen beheerst: externe effecten (negatief → te veel, positief → te weinig), collectieve goederen met het free-riderprobleem, en het berekenen van een tekort of overschot bij een opgelegde prijs door en in te vullen.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten hoe de overheid een extern effect internaliseert via een heffing of subsidie, weeg het marktfalen af tegen het risico van overheidsfalen, en koppel prijsregulering aan welvaartsverlies.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
maatschappelijke kosten
De maatschappelijke kosten zijn de kosten voor de samenleving als geheel: de private kosten van de producent plus de externe kosten die bij derden terechtkomen. Bij een negatief extern effect zijn de externe kosten positief, zodat de maatschappelijke kosten boven de private kosten liggen.
Een fabriek produceert een chemisch product. Het maken van één eenheid kost de fabriek zelf 6 euro aan grondstoffen, arbeid en energie. Bij de productie komt afvalwater vrij dat omwonenden 3 euro schade per eenheid bezorgt. Leg uit waarom de fabriek vanuit maatschappelijk oogpunt te veel produceert, en laat zien hoe een milieuheffing van 3 euro per eenheid dit corrigeert.
De private kosten zijn de 6 euro die de fabriek zelf betaalt. De externe kosten zijn de 3 euro schade die bij omwonenden (derden) terechtkomt. De maatschappelijke kosten per eenheid zijn de som van beide.
De fabriek kijkt alleen naar haar eigen private kosten van 6 euro en maakt elke eenheid waarvan de opbrengst minstens 6 euro is. Maatschappelijk is een eenheid pas de moeite waard als de opbrengst minstens 9 euro is. De eenheden waarvan de opbrengst tussen 6 en 9 euro ligt, worden dus wél gemaakt maar kosten de samenleving meer dan ze opleveren — daardoor produceert de markt te veel.
Een heffing van 3 euro per eenheid verhoogt de private kosten van de fabriek van 6 naar 9 euro, precies gelijk aan de maatschappelijke kosten. Nu voelt de fabriek zelf de volledige rekening en maakt ze alleen nog de eenheden waarvan de opbrengst minstens 9 euro is.
Resultaat: Resultaat: door de heffing gelijk te stellen aan de externe kosten (3 euro) worden de private kosten van de fabriek (9 euro) gelijk aan de maatschappelijke kosten (9 euro). Het externe effect is geïnternaliseerd: de fabriek beperkt haar productie tot de maatschappelijk optimale hoeveelheid en de welvaart van de samenleving stijgt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een kolencentrale stoot CO2 en fijnstof uit. Leg uit waarom er sprake is van een negatief extern effect, waarom de vrije markt hierdoor te veel elektriciteit uit kolen produceert, en hoe een CO2-heffing dit marktfalen corrigeert. Gebruik in je antwoord de begrippen private kosten, externe kosten en maatschappelijke kosten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Een laaggelegen kustgebied moet tegen overstroming worden beschermd met een dijk. Leg uit waarom een particulier bedrijf hier geen winst mee kan maken, en waarom de aanleg van de dijk een taak voor de overheid is.
Een dijk is niet-rivaliserend: de bescherming die jij eraan ontleent, vermindert de bescherming van je buren niet — iedereen achter de dijk is tegelijk veilig. Een dijk is ook niet-uitsluitbaar: zodra de dijk er ligt, is iederéén erachter beschermd, of hij nu betaald heeft of niet. De dijk voldoet dus aan beide kenmerken van een zuiver collectief goed.
Een particulier bedrijf zou de bescherming moeten verkopen, maar omdat niemand is uit te sluiten, redeneert elke bewoner: 'ik ben toch al beschermd, dus ik betaal niet.' Als iedereen zo meelift, betaalt vrijwel niemand en haalt het bedrijf zijn kosten er nooit uit.
Zonder betalende klanten valt er geen winst te maken, dus de markt legt de dijk niet aan — ook al is hij maatschappelijk enorm waardevol. De overheid bouwt de dijk daarom zelf en financiert hem uit belastingen. Omdat belasting betalen verplicht is, kan niemand meeliften en wordt het free-riderprobleem opgelost.
Resultaat: Resultaat: de dijk is een zuiver collectief goed (niet-rivaliserend én niet-uitsluitbaar), waardoor het free-riderprobleem een winstgevende particuliere aanleg onmogelijk maakt. De overheid voorziet erin en bekostigt de dijk via verplichte belastingen — precies de rol die de overheid bij collectieve goederen vervult.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Straatverlichting wordt door de gemeente aangelegd en uit belastingen betaald, niet door een commercieel bedrijf verkocht. Leg met de twee kenmerken van een collectief goed en het free-riderprobleem uit waarom een particulier bedrijf hier geen winst mee kan maken en waarom dit een taak voor de overheid is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Maximumprijs en tekort
vraagvergelijking (voorbeeld)
De vraagvergelijking van de markt in het voorbeeld: de gevraagde hoeveelheid daalt als de prijs stijgt.
aanbodvergelijking (voorbeeld)
De aanbodvergelijking van dezelfde markt: de aangeboden hoeveelheid stijgt als de prijs stijgt.
tekort bij een maximumprijs
Bij een bindende maximumprijs (onder het evenwicht) is de gevraagde hoeveelheid groter dan de aangeboden; het tekort is het verschil bij de opgelegde prijs.
overschot bij een minimumprijs
Bij een bindende minimumprijs (boven het evenwicht) is de aangeboden hoeveelheid groter dan de gevraagde; het overschot is het verschil bij de opgelegde prijs.
Minimumprijs en overschot
Op een markt geldt de vraagvergelijking en de aanbodvergelijking , met de prijs in euro. Het evenwicht ligt bij een prijs van 7 euro en een hoeveelheid van 50. Bereken (a) het tekort bij een maximumprijs van 4 euro en (b) het overschot bij een minimumprijs van 10 euro.
Vul de maximumprijs van 4 euro in zowel de vraag- als de aanbodvergelijking in om de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid te vinden.
De gevraagde hoeveelheid (80) is groter dan de aangeboden hoeveelheid (20), zoals het hoort bij een maximumprijs onder het evenwicht. Het tekort is het verschil tussen beide.
Vul nu de minimumprijs van 10 euro in beide vergelijkingen in.
Nu is de aangeboden hoeveelheid (80) groter dan de gevraagde (20), zoals het hoort bij een minimumprijs boven het evenwicht. Het overschot is het verschil tussen beide.
Resultaat: Resultaat: de maximumprijs van 4 euro veroorzaakt een tekort van 60 eenheden (), en de minimumprijs van 10 euro een overschot van 60 eenheden (). De markt is in beide gevallen uit evenwicht: bij de te lage prijs willen kopers te veel, bij de te hoge prijs willen verkopers te veel — precies wat de twee figuren laten zien.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op een markt geldt en , met de prijs in euro; het evenwicht ligt bij een prijs van 7 euro. De overheid stelt een maximumprijs van 5 euro in. Bereken de gevraagde en de aangeboden hoeveelheid bij die prijs, bepaal of er een tekort of een overschot ontstaat en hoe groot dat is, en noem twee mogelijke gevolgen van deze maatregel.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad