Loading
Loading
Dit onderwerp brengt de kostenkant en de opbrengstkant van de producent samen tot zijn winst. Je leert de kostenstructuur ontleden in vaste, variabele, gemiddelde en marginale kosten, de opbrengsten beschrijven met , en , en met de regels (break-even) en (winstmaximalisatie) de afzet en de winst berekenen. Zo wordt zichtbaar hoeveel een bedrijf produceert en wanneer dat lonend is.
3Onderdelenca. 20min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de begrippen en formules paraat hebt: , , , , , de break-evenvoorwaarde en de winstmaximalisatieregel , en dat je ze in een rekenopgave kunt invullen.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten over de verbanden: waarom de in haar minimum snijdt, waarom de winstmaximale afzet bij ligt en niet bij de laagste gemiddelde kosten, en waarom doorproduceren bij verlies op korte termijn kan lonen zolang .
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
totale kosten
De totale kosten zijn de som van de constante (vaste) kosten en de variabele kosten .
gemiddelde totale kosten
De totale kosten gedeeld door de productie geven de kosten per stuk; gelijk aan .
gemiddelde constante en variabele kosten
daalt steeds (degressief: een vast bedrag over meer eenheden); zijn de variabele kosten per stuk.
marginale kosten
De extra totale kosten van één extra eenheid; de constante kosten tellen aan de marge niet mee.
Een bedrijf heeft de totale-kostenfunctie (met de productie in stuks en in euro). Bepaal de constante kosten, bereken de gemiddelde totale kosten en de marginale kosten bij , en toon aan dat de productie met de laagste gemiddelde totale kosten is.
In is de term die niet van afhangt de constante kosten: euro. De rest, , vormt de variabele kosten , want die groeien met de productie.
Deel de totale kosten door de hoeveelheid. Je kunt ook schrijven als door elke term door te delen.
Bij deze totale-kostenfunctie horen de marginale kosten : de extra kosten van de volgende eenheid. Bij is dus euro.
De -kromme snijdt de -kromme in haar laagste punt, dus daar geldt . Bij is én , dus aan die voorwaarde is voldaan: geeft de laagste gemiddelde totale kosten.
Resultaat: Resultaat: de constante kosten zijn €18, en bij geldt en euro. Omdat in het minimum van de -kromme, is de productieomvang met de laagste gemiddelde totale kosten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf heeft de totale-kostenfunctie (met ). Bereken de , en bij en bij . Verklaar waarom de tussen deze twee productieomvangen verder daalt, terwijl de juist stijgt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kosten- en opbrengstcurven
totale opbrengst (omzet)
De verkoopprijs maal de verkochte hoeveelheid .
gemiddelde opbrengst
De opbrengst per stuk is gelijk aan de verkoopprijs.
marginale opbrengst
De extra opbrengst van één extra verkochte eenheid; bij volledige mededinging gelijk aan de prijs.
totale winst
Het verschil tussen totale opbrengst en totale kosten; per stuk is de winst .
Een bedrijf op een markt met volledige mededinging krijgt de marktprijs van €9. Het heeft dezelfde kostenstructuur als in de figuur: , dus en . Bepaal de winstmaximale afzet, de winst per product en de totale winst.
Bij volledige mededinging is de prijs gegeven en verkoopt het bedrijf elke eenheid tegen €9, dus de gemiddelde en de marginale opbrengst zijn beide gelijk aan de prijs.
De winst is maximaal waar de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten. Met en los je de afzet op.
Vul in de gemiddelde-totale-kostenfunctie in om te weten wat een product daar kost.
De winst per product is de prijs min de gemiddelde totale kosten; de totale winst is dat bedrag maal de afzet.
Resultaat: Resultaat: de winstmaximale afzet is (waar ), de winst per product is euro en de totale winst is €22,50. Merk op dat de winst niet bij het minimum van de (bij ) ligt, maar verder naar rechts, waar de marginale opbrengst en de marginale kosten elkaar snijden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op een markt met volledige mededinging is de prijs €10. Een bedrijf heeft en . Bepaal de winstmaximale afzet via , de gemiddelde totale kosten bij die afzet, de winst per product en de totale winst.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Break-evenpunt: TO = TK
break-evenvoorwaarde
In het break-evenpunt dekken de opbrengsten precies de kosten en is de winst nul. Gelijkwaardig: .
winstmaximalisatieregel
De winst is maximaal waar de marginale opbrengst gelijk is aan de marginale kosten.
continuïteitsvoorwaarde (korte termijn)
Op korte termijn loont doorproduceren zolang de prijs minstens de gemiddelde variabele kosten dekt.
Een bedrijf verkoopt zijn product voor €8 per stuk, dus . De constante kosten zijn €40 en de variabele kosten €4 per stuk, dus . Bereken de break-evenafzet en leg uit wat er onder en boven die afzet gebeurt.
In het break-evenpunt is de winst nul, dus de totale opbrengst is gelijk aan de totale kosten.
Breng de termen met naar één kant en deel om te vinden.
Vul in beide functies in; ze horen hetzelfde bedrag te geven.
Onder de 10 stuks liggen de kosten boven de opbrengst en is er verlies; boven de 10 stuks is er winst. Bij bijvoorbeeld is en , dus €20 winst.
Resultaat: Resultaat: de break-evenafzet is 10 stuks, met euro en dus winst nul. Onder de 10 stuks lijdt het bedrijf verlies, erboven maakt het winst — precies het snijpunt uit de figuur.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een bedrijf heeft en . Bereken de break-evenafzet en de totale opbrengst in het break-evenpunt. Bepaal vervolgens of het bedrijf bij een afzet van 8 stuks winst of verlies maakt, en hoe groot dat bedrag is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad