Loading
Loading
De marktvorm beschrijft de structuur van een markt en wordt bepaald door vier kenmerken: het aantal aanbieders, de aard van het product, de toetredingsmogelijkheden en de mate van marktmacht. Met die kenmerken onderscheid je vier marktvormen — volledige mededinging, monopolie, oligopolie en monopolistische concurrentie — die elk een eigen prijsvorming en doelmatigheid kennen. Dit onderwerp bouwt die indeling stap voor stap op: van de vier kenmerken via het ideaalmodel van de volkomen concurrentie tot de drie vormen van onvolledige mededinging.
3Onderdelenca. 22min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de vier kenmerken en de vier marktvormen uit het hoofd kent en met de overzichtstabel een beschreven markt kunt indelen; ken bovendien het verschil tussen een prijsnemer en een prijszetter en de afzetlijn die bij elk hoort.
verhoogd niveau
Redeneer met de afzetlijnen en met de opbrengstbegrippen — prijs gelijk aan gemiddelde en marginale opbrengst bij een prijsnemer, marginale opbrengst onder de prijs bij een prijszetter — in onbekende contexten, en beoordeel de doelmatigheid van een marktvorm ten opzichte van volledige mededinging, inclusief de onderlinge afhankelijkheid en kartelvorming bij een oligopolie.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De vier marktvormen vergeleken
Bepaal voor elk van de volgende drie situaties de marktvorm, en motiveer telkens met de vier kenmerken: (a) heel veel boeren verkopen identieke tarwe tegen de prijs die op de wereldmarkt geldt; (b) in een stad zorgt één waterleidingbedrijf, dat als enige het leidingnet bezit, voor al het kraanwater; (c) enkele grote telecombedrijven bieden samen vrijwel alle mobiele abonnementen aan.
Heel veel kleine aanbieders, een homogeen product (tarwe is overal hetzelfde), vrije toetreding en geen invloed op de prijs: de boeren zijn prijsnemer. Alle vier de kenmerken wijzen op volledige (volkomen) mededinging.
Precies één aanbieder, een uniek product zonder echt alternatief, geblokkeerde toetreding (het leidingnet is niet rendabel of toegestaan om te dupliceren) en volledige invloed op de prijs. Dit is een monopolie — door het netwerk zelfs een natuurlijk monopolie.
Enkele grote aanbieders die samen de hele markt bedienen, belemmerde toetreding (hoge investeringen in netwerk en licenties) en marktmacht, maar met sterke onderlinge afhankelijkheid omdat ze met zo weinig zijn. Dit is een oligopolie.
Resultaat: Resultaat: (a) volledige mededinging, (b) monopolie, (c) oligopolie. Door telkens dezelfde vier kenmerken — aantal aanbieders, aard van het product, toetreding en marktmacht — af te lopen, deel je vrijwel elke beschreven markt betrouwbaar in.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem de vier kenmerken waarmee je de marktvorm van een markt bepaalt. Bepaal daarna voor de markt van verse melk van één boerderij die rechtstreeks aan de fabriek levert tegen de geldende marktprijs: hoeveel aanbieders, welk soort product, welke toetreding en hoeveel marktmacht — en welke marktvorm hoort daarbij?
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Afzetlijn: prijsnemer versus prijszetter
prijsnemer bij volledige mededinging
Omdat de individuele aanbieder de marktprijs als gegeven aanvaardt en elke eenheid tegen diezelfde prijs verkoopt, vallen de prijs (P), de gemiddelde opbrengst (GO) en de marginale opbrengst (MO) samen.
Op een markt met volledige mededinging is de marktprijs 6 euro per eenheid. (a) Leg met de afzetlijn uit waarom een individuele aanbieder geen 7 euro kan vragen. (b) Beredeneer waarom de overwinst op deze markt op de lange termijn verdwijnt.
De aanbieder is prijsnemer, dus zijn afzetlijn is horizontaal op 6 euro. Bij 6 euro kan hij elke gewenste hoeveelheid kwijt, want zijn aandeel in de totale markt is verwaarloosbaar klein en raakt de marktprijs niet.
Vraagt hij 7 euro, dan stapt elke koper over naar een van de vele andere aanbieders die hetzelfde, homogene product wél voor 6 euro leveren; de volledige transparantie maakt dat meteen zichtbaar. Bij 7 euro verkoopt hij dus niets — hij kan de prijs niet boven de marktprijs tillen.
Maken de aanbieders overwinst, dan lokt dat door de vrije toetreding nieuwe aanbieders. Het totale aanbod stijgt, de marktprijs daalt, en dat gaat door zolang er nog overwinst te halen valt.
In het langetermijnevenwicht is de prijs gezakt tot de gemiddelde kosten en blijft alleen normale winst over. Er is dan geen prikkel meer om toe te treden of uit te treden, en de markt staat stil bij .
Resultaat: Resultaat: de prijsnemer kan door zijn horizontale afzetlijn nooit boven de marktprijs verkopen, en de vrije toetreding zorgt ervoor dat een overwinst op lange termijn wegconcurreert tot normale winst. Dat maakt volledige mededinging tot het efficiënte ijkpunt voor alle andere marktvormen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een graanboer verkoopt op een markt met volledige mededinging tegen de marktprijs van 6 euro per baal. Leg uit welke vorm zijn individuele afzetlijn heeft en waarom, en beredeneer wat er met de marktprijs en met zijn winst gebeurt als alle boeren samen jarenlang een hoge overwinst maken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
prijszetter (onder andere de monopolist)
Een prijszetter met een dalende afzetlijn moet voor elke extra verkochte eenheid de prijs verlagen, ook op de al verkochte eenheden; daardoor ligt de marginale opbrengst (MO) onder de prijs (P) — anders dan de relatie van de prijsnemer.
Twee aanbieders denken na over een prijsverlaging: een graanboer op een markt met volledige mededinging en één van de drie grote benzineketens in een oligopolie. Leg uit waarom de benzineketen heel anders moet redeneren dan de graanboer.
De graanboer is prijsnemer met een horizontale afzetlijn: hij kan tegen de marktprijs al zijn graan kwijt. Zelf de prijs verlagen heeft geen zin — hij verkoopt bij de marktprijs toch alles, en lager gaan kost hem alleen opbrengst. Hij hoeft met niemands reactie rekening te houden, want zijn aandeel is te klein om iemand te raken.
De benzineketen is wél groot genoeg om met een prijsverlaging klanten van de concurrenten weg te trekken. Maar juist omdat er maar enkele grote spelers zijn, voelen die concurrenten zo'n stap onmiddellijk in hun eigen omzet.
De concurrenten zullen waarschijnlijk meteen óók hun prijs verlagen om hun klanten te houden. Het verwachte voordeel verdampt dan, en alle ketens houden samen een lagere prijs en lagere winst over: een prijzenoorlog.
De oligopolist moet zijn beslissing dus afhankelijk maken van de verwachte reacties van zijn concurrenten — de onderlinge afhankelijkheid. Dat verklaart de prijsstarheid (niemand verlaagt graag als eerste) en de verleiding tot verboden prijsafspraken om die onzekerheid te ontlopen.
Resultaat: Resultaat: de graanboer rekent alleen met de gegeven marktprijs, terwijl de oligopolist de reacties van enkele machtige concurrenten moet inschatten. Die onderlinge afhankelijkheid is hét onderscheidende kenmerk van het oligopolie en de bron van prijzenoorlogen, prijsstarheid en kartelvorming.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg voor elk van de drie vormen van onvolledige mededinging (monopolie, oligopolie, monopolistische concurrentie) uit hoeveel aanbieders er zijn, hoe de toetreding is en hoeveel marktmacht een aanbieder heeft. Verklaar daarna waarom juist bij het oligopolie de onderlinge afhankelijkheid zo'n grote rol speelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad