Loading
Loading
De Duitse grammatica draait om drie kernen: de vier naamvallen (Kasus), die de rol van een woord in de zin uitdrukken; de werkwoorden, met hun tijden en de modale werkwoorden; en de zinsbouw, met de kenmerkende Satzklammer en de plaats van het werkwoord. Een vaste greep op deze grammatica maakt je Duits correct en helpt je tegelijk om examenteksten sneller en preciezer te begrijpen.
6Onderdelenca. 26min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 4 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het examen: herken de naamvallen en de zinsbouw bij het lezen, en pas de verbuigingen en werkwoordstijden correct toe bij het schrijven en spreken (schoolexamen).
verhoogd niveau
Wie verder studeert met Duits leest en schrijft academische teksten; een vaste greep op naamvallen, werkwoorden en zinsbouw blijft daar onmisbaar.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Het bepaald lidwoord in de vier naamvallen
Het onbepaald lidwoord in de vier naamvallen
Ontleed de zin „Der Mann gibt dem Kind den Ball” volledig: bepaal van elk zinsdeel de naamval en de functie, en verklaar de vorm van elk lidwoord.
Wie geeft er iets? „Der Mann.” Dat is het onderwerp, dus Nominativ. Mannelijk Nominativ is „der” — vandaar „der Mann” (vraag: wer gibt? → der Mann).
Wat wordt er gegeven? „den Ball.” Dat ondergaat de handeling, dus Akkusativ. Mannelijk Akkusativ verandert „der” in „den” — vandaar „den Ball” (vraag: was gibt er? → den Ball).
Aan wie wordt de bal gegeven? „dem Kind.” Dat is de ontvanger, dus Dativ. Onzijdig Dativ is „dem” — vandaar „dem Kind” (vraag: wem gibt er den Ball? → dem Kind).
„Der Mann” (Nom., onderwerp) — „gibt” (werkwoord) — „dem Kind” (Dat., meewerkend voorwerp) — „den Ball” (Akk., lijdend voorwerp). De drie naamvallen zijn alle aan het lidwoord af te lezen.
Resultaat: „Der Mann” staat in de Nominativ (onderwerp), „dem Kind” in de Dativ (meewerkend voorwerp), „den Ball” in de Akkusativ (lijdend voorwerp). Elk lidwoord (der/dem/den) verraadt de naamval, en daarmee de rol van het woord in de zin.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal in „Die Lehrerin gibt dem Schüler das Buch” van elk vetgedrukt zinsdeel de naamval en de functie, en leg uit waaraan je dat in het lidwoord ziet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Zwakke verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
Vul de uitgang in en motiveer: „Ich sehe den alt__ Mann.” (alt = oud)
„Den … Mann” is het lijdend voorwerp: Akkusativ, mannelijk. Het lidwoord „den” toont dat al duidelijk.
Na het bepaald lidwoord (den) gebruik je de zwakke verbuiging, want het lidwoord geeft de naamval al aan.
In de zwakke verbuiging is de uitgang „-en” in alle gevallen behalve de Nominativ enkelvoud (en Akkusativ o./v.). De Akkusativ mannelijk valt daarbuiten, dus „-en”: „den alten Mann”.
Resultaat: De juiste vorm is „Ich sehe den alten Mann.” Omdat het bepaald lidwoord „den” de naamval (Akkusativ mannelijk) al aangeeft, gebruik je de zwakke verbuiging, en die geeft hier de uitgang „-en”.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vul de juiste uitgang in en benoem het verbuigingstype: „der alt__ Mann”, „ein klein__ Kind”, „kalt__ Wasser (zonder lidwoord)”, „die schön__ Häuser”.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Persoonlijke voornaamwoorden in drie naamvallen
Betrekkelijke voornaamwoorden
Vul het betrekkelijk voornaamwoord in en motiveer: „Die Frau, ___ ich kenne, ist Lehrerin.” (kennen = kennen)
Het voornaamwoord verwijst naar „die Frau”: vrouwelijk, enkelvoud. Het moet dus een vrouwelijke vorm zijn (die/der/deren).
Binnen de bijzin „… ich kenne” is het voornaamwoord het lijdend voorwerp: ik ken háár. Dat is de Akkusativ.
Vrouwelijk + Akkusativ = „die”. En omdat het een bijzin is, staat het werkwoord achteraan: „Die Frau, die ich kenne, ist Lehrerin.”
Resultaat: Het juiste voornaamwoord is „die”: vrouwelijk en enkelvoud (uit de hoofdzin „die Frau”) én Akkusativ (lijdend voorwerp in de bijzin). Het werkwoord „kenne” staat aan het einde van de bijzin.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies het juiste betrekkelijk voornaamwoord en verklaar geslacht en naamval: „Das Buch, ___ ich gelesen habe, war spannend” en „Der Freund, ___ ich vertraue, wohnt in Köln.”
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Präteritum en Perfekt naast elkaar
Zet de zin „Wir fahren nach Berlin” in het Perfekt. Werk stap voor stap.
„Fahren” (rijden) is een bewegingswerkwoord: het drukt een verplaatsing uit. Bewegingswerkwoorden nemen in het Perfekt „sein”, niet „haben”.
„Fahren” is een sterk werkwoord; het voltooid deelwoord is „gefahren” (ge-…-en met klinkerwisseling).
Het hulpwerkwoord „sind” komt op de tweede plaats, het voltooid deelwoord „gefahren” gaat naar het einde: „Wir sind nach Berlin gefahren.”
Resultaat: De Perfekt-vorm is „Wir sind nach Berlin gefahren.” Omdat „fahren” een bewegingswerkwoord is, gebruik je „sein” (wir sind), en het voltooid deelwoord „gefahren” staat achteraan.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zet de zin „Ich gehe nach Hause” in het Perfekt en in het Präteritum, en zet „Sie kauft ein Auto” in het Perfekt. Let bij elke zin op de hulpwerkwoordkeuze en de plaats van het werkwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De zes modale werkwoorden
Maak van „Ich spiele Klavier” een zin die uitdrukt dat je het kúnt: voeg het modale werkwoord „können” toe. Werk stap voor stap.
„Können” in de ich-vorm is „kann” — zonder uitgang en met klinkerwisseling (ö → a). Het komt op de tweede plaats in de zin.
Het oorspronkelijke werkwoord „spiele” wordt de infinitief „spielen” en gaat naar het einde van de zin (geen „zu”).
Tussen „kann” (tweede plaats) en „spielen” (einde) staat de rest ingeklemd: „Ich kann Klavier spielen.”
Resultaat: De zin wordt „Ich kann Klavier spielen.” Het modale werkwoord „kann” staat op de tweede plaats, de infinitief „spielen” gaat naar het einde, en samen vormen ze de Satzklammer.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vertaal en let op de modale werkwoorden: „Ich kann schwimmen”, „Du darfst hier nicht parken”, „Wir möchten bestellen.” Verklaar bij elke zin de plaats van de infinitief.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De velden van de Duitse hoofdzin (Satzklammer)
Een concrete zin in zijn velden
De negen Wechselpräpositionen
Analyseer de woordvolgorde van „Ich habe gestern ein Buch gekauft”: wijs de Satzklammer aan en benoem de velden Vorfeld, linkerklem, Mittelfeld en rechterklem.
Het vervoegde werkwoord is „habe” en staat op de tweede plaats. Dat is de linkerklem van de Satzklammer.
Het voltooid deelwoord „gekauft” staat helemaal achteraan. Dat is de rechterklem. Samen vormen „habe … gekauft” de tang.
Vóór „habe” staat één zinsdeel: „Ich” — dat is het Vorfeld. Tussen de klemmen staat „gestern ein Buch” — dat is het Mittelfeld.
Vorfeld: „Ich” — linkerklem: „habe” — Mittelfeld: „gestern ein Buch” — rechterklem: „gekauft”. Het vervoegde werkwoord op plaats twee en het deelwoord achteraan klemmen de zin in.
Resultaat: De zin is opgebouwd als Vorfeld („Ich”) — linkerklem („habe”) — Mittelfeld („gestern ein Buch”) — rechterklem („gekauft”). Het vervoegde werkwoord staat op de tweede plaats, het voltooid deelwoord achteraan; samen vormen ze de Satzklammer.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Analyseer de velden van „Morgen will ich meine Großeltern besuchen” (Vorfeld, linkerklem, Mittelfeld, rechterklem) en kies de juiste naamval in „Wir gehen ___ (in) Kino” (wohin?) tegenover „Wir sind ___ (in) Kino” (wo?).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Duits (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad