Loading
Loading
Een organisme is een zelforganiserend systeem dat zichzelf opbouwt en in stand houdt. Dit onderwerp volgt die zelforganisatie van klein naar groot: eerst de organisatieniveaus van cel tot organisme, dan de embryonale ontwikkeling waarin uit één bevruchte eicel weefsels en organen ontstaan, vervolgens hoe groei en differentiatie door genen worden gestuurd, en ten slotte hoe de orgaanstelsels samenwerken aan de homeostase van het hele lichaam.
4Onderdelenca. 24min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 2
basisniveau
Zorg dat je de organisatieniveaus op volgorde kunt noemen, de stappen van de embryonale ontwikkeling (zygote → celdeling → differentiatie → weefsels/organen) kunt beschrijven, en kunt uitleggen dat orgaanstelsels samenwerken aan de homeostase.
verhoogd niveau
Redeneer in nieuwe contexten over zelforganisatie: verklaar waarom cellen met hetzelfde DNA toch verschillen, hoe genen in tijd en plaats de ontwikkeling sturen, en hoe negatieve terugkoppeling de samenwerking tussen orgaanstelsels stabiel houdt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Organisatieniveaus
Een leerling noemt de maag als onderdeel van het lichaam. Bepaal op welk organisatieniveau de maag staat, en beschrijf welk niveau er direct onder en welk niveau er direct boven ligt.
De maag bestaat uit verschillende weefsels die samen één taak uitvoeren: voedsel verteren. Iets dat uit meerdere weefsels bestaat en samen een functie heeft, is een orgaan. De maag staat dus op het niveau van het orgaan.
Een orgaan is opgebouwd uit weefsels. In de maagwand zitten bijvoorbeeld spierweefsel (om voedsel te kneden) en klierweefsel (om verteringssappen te maken). Het niveau direct onder het orgaan is dus het weefsel, en daaronder de cel.
Organen die samen een grotere taak verzorgen, vormen een orgaanstelsel. De maag werkt samen met onder andere de slokdarm, de darmen en de lever in het spijsverteringsstelsel. Het niveau direct boven het orgaan is dus het orgaanstelsel.
Resultaat: Resultaat: de maag staat op het niveau van het orgaan; het niveau eronder is het weefsel en het niveau erboven het orgaanstelsel (het spijsverteringsstelsel). Samen met de andere orgaanstelsels vormt dit het organisme.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem de vijf organisatieniveaus van cel tot organisme in de juiste volgorde. Geef bij elk niveau een voorbeeld uit het menselijk lichaam, en leg in één zin uit waarom een organisme een 'zelforganiserend systeem' wordt genoemd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Van zygote tot organen
Leg uit hoe uit één bevruchte eicel een embryo ontstaat met veel verschillende celtypen, terwijl al die cellen hetzelfde DNA hebben.
De zygote deelt zich door mitose, telkens opnieuw, tot een klompje van vele cellen. Bij elke mitose wordt het DNA verdubbeld en gelijk verdeeld, zodat alle cellen hetzelfde DNA krijgen als de zygote.
Tijdens de celdifferentiatie gaat in elke cel een eigen combinatie van genen 'aan' staan. Daardoor maken de cellen verschillende eiwitten en worden het verschillende celtypen, zoals spier-, zenuw- en huidcellen — hoewel hun DNA gelijk blijft.
Cellen van hetzelfde type groeperen zich tot weefsels, en weefsels vormen organen. Door morfogenese en patroonvorming komen die op de juiste plaats in het embryo te liggen, zodat een geordend lichaam ontstaat.
Resultaat: Resultaat: door celdeling ontstaan veel cellen met hetzelfde DNA, door differentiatie worden ze verschillend (er zijn andere genen actief), en door morfogenese komen de weefsels en organen op de juiste plaats. Zo groeit uit één cel een veelvormig, geordend organisme.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf in de juiste volgorde hoe uit een bevruchte eicel een embryo met verschillende weefsels en organen ontstaat. Leg daarbij uit waarom alle cellen hetzelfde DNA hebben en tóch verschillend kunnen worden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Twee manieren van groei
Een jonge plantenstengel wordt in korte tijd flink langer. Leg uit welke twee processen samen voor deze groei zorgen, en leg uit waarom de cellen op de ene plek zich anders ontwikkelen dan de cellen op een andere plek.
Aan de top van de stengel delen cellen zich volop door mitose. Daardoor neemt het aantal cellen toe; dit is de eerste bijdrage aan de groei.
Net onder de top nemen de jonge cellen veel water op en strekken ze zich sterk uit in de lengte. Deze celstrekking is de tweede bijdrage en zorgt voor het grootste deel van de snelle lengtetoename.
Welke genen in een cel actief zijn, hangt af van haar plaats in de plant en het moment in de ontwikkeling. Daardoor worden cellen op de ene plek bijvoorbeeld bladcellen en op een andere plek stengelcellen, hoewel ze hetzelfde DNA hebben.
Resultaat: Resultaat: de groei komt door celdeling (meer cellen) én celstrekking (grotere cellen). Dat cellen zich verschillend ontwikkelen, komt doordat genen per plaats en per moment aan of uit staan — hetzelfde DNA, maar in tijd en plaats anders gebruikt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit welke twee processen samen voor de groei van een organisme zorgen. Beschrijf vervolgens hoe genen bepalen dat een cel zich tot een bepaald celtype ontwikkelt, en waarom 'tijd en plaats' daarbij belangrijk zijn.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Orgaanstelsels en homeostase
Beschrijf stap voor stap hoe zuurstof vanuit de lucht bij een spiercel komt en hoe de koolstofdioxide weer het lichaam verlaat. Geef aan welke orgaanstelsels samenwerken en hoe dit de homeostase handhaaft.
Bij het inademen komt zuurstofrijke lucht in de longen. De zuurstof diffundeert door de wand van de longblaasjes naar het bloed. Het ademhalingsstelsel verzorgt zo de opname van zuurstof.
Het hart pompt het zuurstofrijke bloed door de bloedvaten naar de spiercel. Het bloedvatenstelsel brengt de zuurstof dus op de plaats van bestemming en neemt daar afvalstoffen mee.
De spiercel verbrandt glucose met de zuurstof en maakt zo energie vrij. Bij deze dissimilatie ontstaat koolstofdioxide als afvalstof.
Het bloed vervoert de koolstofdioxide terug naar de longen, waar die bij het uitademen het lichaam verlaat. Zo werken het ademhalings- en het bloedvatenstelsel ook bij de afvoer samen.
Resultaat: Resultaat: het ademhalingsstelsel neemt zuurstof op en voert koolstofdioxide af, het bloedvatenstelsel vervoert beide stoffen van en naar de cellen. Doordat het zuurstof- en koolstofdioxidegehalte zo binnen veilige grenzen blijft, handhaaft deze samenwerking de homeostase van het hele organisme.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf hoe het ademhalingsstelsel en het bloedvatenstelsel samenwerken om een spiercel van zuurstof te voorzien en de koolstofdioxide af te voeren. Leg uit hoe deze samenwerking bijdraagt aan de homeostase van het hele organisme.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad