Loading
Loading
Een dier neemt zijn omgeving waar, verwerkt die informatie en reageert er met beweging op — en die hele keten van waarnemen, schakelen en reageren is wat dit onderwerp samenbrengt. Je leert hoe het skeletspierstelsel beweging maakt met spieren die in antagonistische paren aan botten trekken en gewrichten als hefboom gebruiken, hoe het zenuwstelsel is opgebouwd en hoe een zenuwcel een prikkel als elektrische impuls doorgeeft en via een synaps op de volgende cel overdraagt, hoe de reflexboog een snelle, onbewuste reactie regelt, en hoe de zintuigen — met het oog als uitgewerkt voorbeeld — prikkels uit de omgeving omzetten in impulsen.
5Onderdelenca. 34min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 2 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je de hoofdlijn kunt navertellen: spieren werken in paren en trekken botten om een gewricht; het zenuwstelsel bestaat uit een centraal en een perifeer deel; een impuls loopt over een zenuwcel en springt via een synaps over; de reflexboog regelt een snelle, onbewuste reactie; en een zintuig zet een prikkel om in een impuls.
verhoogd niveau
Beredeneer in onbekende contexten waarom een spier alleen kan trekken en dus een tegenspeler nodig heeft, hoe de plaats van de spieraanhechting de snelheid en kracht van een beweging bepaalt, hoe rust- en actiepotentiaal ontstaan door ionverplaatsing, en hoe accommodatie de beeldvorming op het netvlies scherp houdt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Antagonisten bij de elleboog
Van impuls tot beweging
Leg uit waarom je niet met één enkele spier je arm zowel kunt buigen als strekken. Gebruik in je antwoord de begrippen samentrekken, antagonist en pees.
Als een spier samentrekt, wordt hij korter en trekt hij via zijn pezen de twee botten naar elkaar toe. Ontspant de spier weer, dan wordt hij slap; hij kan de botten niet terugduwen. Een spier oefent dus maar in één richting kracht uit.
Om de arm na het buigen weer te strekken, moeten de botten de andere kant op draaien. Omdat de buigspier daar niets aan kan doen (hij kan alleen trekken), is er een tweede spier nodig die juist deze strekkende beweging maakt: de strekspier.
De buigspier en de strekspier maken precies elkaars beweging ongedaan en vormen daarom een antagonistisch paar. Buigt de arm, dan trekt de buigspier samen en ontspant de strekspier; strekt de arm, dan is het andersom. Elke spier trekt via haar eigen pees aan het bot.
Resultaat: Resultaat: één spier kan alleen trekken en daarmee maar één richting van de beweging maken. Voor zowel buigen als strekken zijn dus twee spieren nodig die als antagonisten samenwerken — de buigspier en de strekspier — elk via een eigen pees aan de botten verbonden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom je niet met één enkele spier je arm zowel kunt buigen als strekken. Gebruik in je antwoord de begrippen samentrekken, antagonist en pees.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Indeling van het zenuwstelsel
Sympathisch versus parasympathisch
Iemand schrikt hevig. Het hart gaat sneller kloppen, de ademhaling versnelt en de pupillen worden wijder. Leg uit welk deel van het autonome zenuwstelsel hier actief is en waarom deze reacties bij elkaar passen.
Een snellere hartslag, snellere ademhaling en wijdere pupillen zijn processen die je niet met je wil aanstuurt. Ze worden geregeld door het autonome (onwillekeurige) zenuwstelsel, niet door het somatische deel.
Alle genoemde reacties maken het lichaam klaar voor inspanning: een sneller kloppend hart en snellere ademhaling leveren meer zuurstof aan de spieren, en wijdere pupillen laten meer licht binnen om de omgeving scherp te zien. Dit is de 'vecht-of-vlucht'-toestand.
Die actiestand wordt verzorgd door het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel. Het parasympathische deel zou juist het omgekeerde doen (hart langzamer, pupillen nauwer), wat niet past bij schrikken.
Resultaat: Resultaat: het sympathische deel van het autonome zenuwstelsel is actief. De reacties passen bij elkaar omdat ze samen het lichaam klaarmaken voor snelle actie — meer zuurstof naar de spieren en beter zicht — precies de 'vecht-of-vlucht'-respons.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Iemand schrikt hevig. Het hart gaat sneller kloppen, de ademhaling versnelt en de pupillen worden wijder. Leg uit welk deel van het autonome zenuwstelsel hier actief is en waarom deze reacties bij elkaar passen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Bouw van een zenuwcel
Verloop van de membraanpotentiaal
Een gifstof blokkeert in de synaps de receptoren waarop de neurotransmitter normaal bindt. Leg uit welk gevolg dit heeft voor de overdracht van een impuls van het ene neuron op het volgende.
Komt een impuls bij het axonuiteinde aan, dan geeft het neuron een neurotransmitter af in de synaptische spleet. Die stof bindt aan receptoren op het membraan van de volgende cel, en pas die binding kan in de volgende cel een nieuwe impuls opwekken.
Zijn de receptoren geblokkeerd, dan kan de neurotransmitter er niet meer op binden. De afgegeven signaalstof zweeft dan wel in de spleet, maar vindt geen plek om aan te koppelen — de 'sleutel' past niet meer in het 'slot'.
Zonder binding aan de receptoren ontstaat er in de volgende cel geen nieuwe impuls. De prikkel komt dus wél tot aan het synapsuiteinde van het eerste neuron, maar wordt niet doorgegeven aan het tweede; de signaalketen wordt op de synaps onderbroken.
Resultaat: Resultaat: door de geblokkeerde receptoren kan de neurotransmitter niet binden, zodat in het volgende neuron geen nieuwe impuls ontstaat. De impulsoverdracht in de synaps valt weg en het signaal komt niet verder dan het eerste neuron.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een gifstof blokkeert in de synaps de receptoren waarop de neurotransmitter normaal bindt. Leg uit welk gevolg dit heeft voor de overdracht van een impuls van het ene neuron op het volgende.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De reflexboog
Iemand prikt zich onverwacht aan een speld en trekt razendsnel de hand terug; de pijn voelt hij pas een fractie later. Beschrijf de route die de impuls aflegt en leg uit waarom de hand al wordt teruggetrokken voordat de persoon de pijn voelt.
De prik is de prikkel. Een receptor in de huid neemt hem waar en stuurt een impuls via een sensorisch neuron naar het ruggenmerg. Daar geeft een schakelneuron de impuls direct door aan een motorisch neuron, dat de buigspier van de arm (de effector) aanstuurt; de spier trekt samen en de hand schiet terug.
De hele reflex wordt in het ruggenmerg geschakeld, zonder dat het signaal eerst naar de hersenen en terug moet. Die korte route kost weinig tijd, dus de terugtrekbeweging komt vrijwel onmiddellijk op gang.
Tegelijk loopt er vanuit het ruggenmerg óók een impuls omhoog naar de hersenen. Pas wanneer die de hersenen bereikt, word je je bewust van de pijn. Omdat dat de langere route is, voel je de pijn een fractie later dan dat je hand al is teruggetrokken.
Resultaat: Resultaat: de impuls loopt via receptor → sensorisch neuron → ruggenmerg → motorisch neuron → buigspier, zodat de hand snel wordt teruggetrokken. Het bewust voelen van de pijn volgt een aparte, langere route naar de hersenen en komt daarom pas ná de reflexreactie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Iemand prikt zich onverwacht aan een speld en trekt razendsnel de hand terug; de pijn voelt hij pas een fractie later. Beschrijf de route die de impuls aflegt en leg uit waarom de hand al wordt teruggetrokken voordat de persoon de pijn voelt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Beeldvorming in het oog
Zintuigen en hun adequate prikkel
Leg uit waarom je in een vrijwel donkere kamer wel de contouren van de meubels kunt onderscheiden, maar nauwelijks kunt zien welke kleur ze hebben.
In het netvlies liggen staafjes en kegeltjes. De staafjes zijn zeer lichtgevoelig en werken al bij weinig licht, maar geven geen kleur door. De kegeltjes zorgen voor het zien van kleuren en scherpe details, maar hebben juist veel licht nodig.
In een vrijwel donkere kamer is er te weinig licht om de kegeltjes goed te laten werken. De gevoelige staafjes vangen het schaarse licht nog wel op en leveren een beeld van vormen en contouren.
Omdat alleen de staafjes actief zijn en die geen kleurinformatie doorgeven, neem je wel de vormen van de meubels waar, maar bijna geen kleuren. Pas met meer licht doen de kegeltjes mee en zie je weer kleur.
Resultaat: Resultaat: bij weinig licht werken vooral de staafjes, die wel vormen maar geen kleuren doorgeven, terwijl de kleurgevoelige kegeltjes te weinig licht krijgen. Daardoor zie je in het schemerdonker wel de contouren van de meubels, maar nauwelijks hun kleur.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom je in een vrijwel donkere kamer wel de contouren van de meubels kunt onderscheiden, maar nauwelijks kunt zien welke kleur ze hebben.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad