Loading
Loading
Het afweersysteem beschermt je lichaam tegen ziekteverwekkers met twee samenwerkende linies: een snelle, ongerichte aspecifieke afweer en een tragere, gerichte specifieke afweer met antistoffen. Dit onderwerp bouwt de afweer stap voor stap op — van huid, fagocyten en ontsteking, via B- en T-cellen, naar het immunologisch geheugen dat een tweede besmetting onschadelijk maakt. Ten slotte zie je hoe vaccinatie dat geheugen benut en wat actieve immuniteit, passieve immuniteit en groepsimmuniteit betekenen.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zorg dat je de aspecifieke en de specifieke afweer kunt beschrijven, weet dat B-cellen antistoffen maken, en het verschil tussen actieve en passieve immuniteit kunt uitleggen. Ken de begrippen antigeen, antistof, fagocyt, lymfocyt, geheugencel en vaccin.
verhoogd niveau
Kun je in een onbekende situatie redeneren: een grafiek van de primaire en de secundaire respons interpreteren, uitleggen waarom de tweede respons sneller en sterker is, en beredeneren hoe groepsimmuniteit ook niet-ingeente mensen beschermt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Lijnen van afweer
Iemand snijdt zich in de vinger; even later is de wond rood, warm en gezwollen. Leg uit welke aspecifieke afweer hier optreedt en waarom de wond rood en gezwollen wordt.
Door de snee is de huid — de eerste aspecifieke barriere — beschadigd. Ziekteverwekkers van buiten kunnen nu het weefsel binnendringen, dus de afweer moet het overnemen van de verdwenen muur.
Witte bloedcellen, met name fagocyten, herkennen de binnengedrongen bacterien als lichaamsvreemd en nemen ze op door fagocytose. Ze verteren de indringers en maken ze onschadelijk; dat gebeurt bij elke soort binnendringer hetzelfde.
Beschadigde cellen geven signaalstoffen (zoals histamine) af die de bloedvaten verwijden en doorlaatbaarder maken. Meer bloed maakt de plek rood en warm; vocht dat uit de vaten lekt maakt hem gezwollen. Tegelijk bereiken zo extra fagocyten de wond.
Resultaat: De rode, warme, gezwollen wond is het zichtbare gevolg van de aspecifieke afweer: de doorbroken huidbarriere wordt opgevangen door fagocyten die binnendringers opnemen, en de ontstekingsreactie verwijdt de bloedvaten zodat er snel meer afweercellen en vocht naar de infectie komen. Alles verloopt ongericht — tegen elke binnendringer hetzelfde.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je haalt je hand open aan een roestige spijker. Beschrijf stap voor stap welke aspecifieke afweermechanismen achtereenvolgens in actie komen, van de doorbroken barriere tot de ontstekingsreactie, en leg bij elke stap uit waarom die bijdraagt aan het onschadelijk maken van binnendringers.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Aspecifiek vs specifiek
Iemand heeft de mazelen gehad en daardoor antistoffen tegen het mazelenvirus. Leg uit waarom deze antistoffen wel tegen de mazelen beschermen, maar niet tegen de bof.
Een antistof heeft een bindingsplaats die, als een sleutel op een slot, precies past op een bepaald antigeen. De antistoffen tegen de mazelen zijn gevormd tegen het antigeen van het mazelenvirus.
Het bofvirus draagt andere antigenen dan het mazelenvirus. De mazelenantistoffen passen daar niet op, zoals een sleutel niet in een ander slot past.
Omdat de mazelenantistoffen niet aan het bofantigeen kunnen binden, kunnen ze het bofvirus niet neutraliseren, klonteren of markeren. Tegen de bof zijn ze dus werkloos; daarvoor moet het lichaam eigen, specifieke antistoffen maken.
Resultaat: De bescherming is zo specifiek als de antigeen-antistofbinding zelf: mazelenantistoffen passen alleen op het mazelenantigeen en beschermen daarom alleen tegen de mazelen. Tegen de bof, met een ander antigeen, bieden ze geen bescherming — dat verklaart waarom je elke ziekteverwekker afzonderlijk moet 'leren' afweren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een ziekteverwekker met een bepaald antigeen dringt het lichaam binnen. Leg stap voor stap uit hoe de specifieke afweer hierop reageert: van het activeren van de passende lymfocyten tot het maken van antistoffen, en beschrijf wat die antistoffen vervolgens met de ziekteverwekker doen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Primaire vs secundaire respons
In een grafiek staat de antistofconcentratie tegen de tijd. Na een eerste injectie met een antigeen verschijnt pas na ongeveer een week een lage piek; na een tweede injectie met hetzelfde antigeen verschijnt al na enkele dagen een veel hogere piek. Welke piek is de primaire en welke de secundaire respons, en hoe verklaar je het verschil?
De eerste, lage piek die pas na een week op gang komt, hoort bij het allereerste contact met het antigeen: dat is de primaire respons. De vertraging ontstaat doordat de passende lymfocyten eerst geactiveerd moeten worden en moeten uitgroeien tot plasmacellen.
De tweede piek, die sneller en veel hoger is, hoort bij het tweede contact met hetzelfde antigeen: dat is de secundaire respons. Hetzelfde antigeen is hier de sleutel — het gaat niet om een nieuwe ziekteverwekker.
Tijdens de primaire respons zijn geheugencellen aangelegd. Bij het tweede contact zijn die al in groten getale aanwezig en herkennen het antigeen meteen, zodat ze razendsnel veel plasmacellen vormen. Daardoor is de secundaire respons sneller (kortere vertraging), sterker (hogere top) en langduriger.
Resultaat: De lage, late piek is de primaire respons (eerste contact), de hoge, snelle piek de secundaire respons (tweede contact met hetzelfde antigeen). Het verschil komt door de geheugencellen die na de eerste keer klaarstaan: zij maken dat het lichaam de tweede keer zo snel en krachtig reageert dat je niet meer ziek wordt — je bent immuun.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bekijk een grafiek met de antistofconcentratie in het bloed na een eerste en een tweede besmetting met dezelfde ziekteverwekker. Beschrijf de drie verschillen tussen de primaire en de secundaire respons die je in de grafiek ziet, en verklaar telkens met behulp van de geheugencellen waarom de tweede respons zo verloopt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Actieve vs passieve immuniteit
Deel de volgende drie situaties in als actieve of passieve immuniteit en geef telkens aan of de bescherming kort of lang duurt: (a) iemand heeft de waterpokken gehad; (b) een baby krijgt antistoffen via de placenta; (c) iemand wordt ingeent tegen DTP (difterie, tetanus, polio).
Bij de waterpokken heeft het lichaam zelf de ziekteverwekker bestreden, zelf antistoffen gemaakt en geheugencellen aangelegd. Dat is actieve immuniteit. Door de geheugencellen is de bescherming langdurig — meestal levenslang.
De baby maakt deze antistoffen niet zelf, maar krijgt ze kant-en-klaar van de moeder. Dat is passieve immuniteit. Er worden geen eigen geheugencellen aangelegd, dus de bescherming is kortdurend: zodra de geleende antistoffen zijn afgebroken, verdwijnt ze.
Een vaccin bevat een verzwakt of dood antigeen. Het lichaam reageert er zelf op met een primaire respons en legt geheugencellen aan, zonder ziek te worden. Dat is actieve immuniteit, en dankzij de geheugencellen langdurig (vaak met een herhaalprik versterkt).
Resultaat: Actief zijn (a) de doorgemaakte waterpokken en (c) de DTP-vaccinatie: het lichaam maakt zelf antistoffen en geheugencellen, dus de bescherming is langdurig. Passief is (b) de antistoffen via de placenta: die zijn gekregen, zonder eigen geheugen, en beschermen daarom maar kort. De vuistregel — zelf maken is actief en langdurig, krijgen is passief en kortdurend — deelt elke situatie feilloos in.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beoordeel voor elk van de volgende gevallen of er sprake is van actieve of passieve immuniteit, en leg je keuze uit met de begrippen 'zelf antistoffen maken' en 'geheugencellen': (a) een kind krijgt een vaccinatie tegen de bof; (b) een baby krijgt antistoffen binnen via de borstvoeding; (c) iemand krijgt na een diepe wond een injectie met antistoffen tegen tetanus. Geef bij elk geval ook aan of de bescherming kort of lang zal duren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad