Loading
Loading
Een ecosysteem is geen vaste, onveranderlijke eenheid maar een dynamisch systeem dat zichzelf ordent: organismen, hun onderlinge relaties en de niet-levende omgeving stellen zich voortdurend op elkaar in. Dit onderwerp laat zien hoe een levensgemeenschap in de loop van de tijd verandert (successie), hoe populaties groeien tot aan de draagkracht van hun milieu, en hoe het geheel rond een dynamisch evenwicht schommelt. Je leert dat dit evenwicht veerkrachtig is, maar dat een te grote verstoring — vaak door de mens — het systeem uit balans kan brengen.
4Onderdelenca. 28min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je de begrippen ecosysteem, biotoop, levensgemeenschap, populatie, abiotisch en biotisch correct kunt gebruiken, successie kunt herkennen en de S-curve met de draagkracht K kunt aflezen en uitleggen.
verhoogd niveau
Redeneer in onbekende contexten over de wisselwerking tussen factoren: verbind dichtheidsafhankelijke regulatie, predator-prooi-schommelingen en veerkracht met elkaar, en beoordeel hoe een menselijke verstoring de draagkracht en het evenwicht van een ecosysteem verandert.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Organisatieniveaus in de ecologie
Een leerling onderzoekt een sloot. Hij noteert: waterplanten, watervlooien, baars (een vis), de watertemperatuur, het zuurstofgehalte, en het feit dat de baars watervlooien eet. Benoem de biotoop en de levensgemeenschap, en sorteer de overige gegevens in abiotische en biotische factoren.
Zet eerst alle organismen apart: de waterplanten, de watervlooien en de baars zijn levend. De watertemperatuur en het zuurstofgehalte zijn niet-levend. 'De baars eet watervlooien' beschrijft een relatie tussen organismen.
De levensgemeenschap is alle populaties samen: de waterplanten, de watervlooien en de baars (en alle andere organismen in de sloot). De biotoop is de sloot als niet-levende plek met haar kenmerken, waaronder de watertemperatuur en het zuurstofgehalte.
Abiotische (niet-levende) factoren: de watertemperatuur en het zuurstofgehalte. Biotische (levende) factoren: het eten van watervlooien door de baars — predatie — en bijvoorbeeld de concurrentie tussen de waterplanten om licht.
De abiotische en biotische factoren grijpen in elkaar. Stijgt de watertemperatuur (abiotisch), dan lost er minder zuurstof op in het water; bij te weinig zuurstof kan de baars het loodje leggen, waardoor de predatie op watervlooien (biotisch) afneemt en het aantal watervlooien stijgt.
Resultaat: De biotoop is de sloot met haar niet-levende kenmerken (zoals temperatuur en zuurstofgehalte); de levensgemeenschap is het geheel van waterplanten, watervlooien en baars. Watertemperatuur en zuurstofgehalte zijn abiotische factoren; de predatie van de baars op watervlooien is een biotische factor. Samen vormen biotoop en levensgemeenschap het ecosysteem 'sloot', waarin levende en niet-levende factoren elkaar voortdurend beïnvloeden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een sloot leven waterplanten, kikkers, slakken, vissen en bacteriën. Het water heeft een bepaalde temperatuur, zuurgraad en zuurstofgehalte. Benoem wat in deze sloot de biotoop is en wat de levensgemeenschap, en geef voor twee abiotische en twee biotische factoren een voorbeeld dat past bij deze sloot. Leg bij één voorbeeld uit hoe een abiotische factor een biotische factor kan beïnvloeden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Successie: van pionier naar climax
Primaire vs secundaire successie
In een rivier is door aanslibbing een nieuwe, kale zandplaat ontstaan. Na verloop van jaren groeien er eerst pioniersoorten, later grassen en kruiden, en uiteindelijk struweel. (a) Is dit primaire of secundaire successie? (b) Verklaar het tempo. (c) Beredeneer welke rol de pioniers spelen.
De zandplaat is kaal en pas ontstaan; er is nog geen bodem met humus, voedingsstoffen of zaden. De start vindt dus plaats op een levenloos substraat zonder bodem.
Omdat er nog geen bodem is bij de start, is dit primaire successie. (Bij secundaire successie zou er na een verstoring al een bodem liggen.)
Primaire successie is traag, omdat de bodem eerst nog moet worden gevormd. Pas als pioniers organisch materiaal hebben vastgelegd en er humus is ontstaan, kunnen grotere planten wortelen — en dat kost veel tijd.
De pioniers verdragen de kale, extreme omstandigheden en vormen door hun afgestorven resten de eerste bodemlaag. Daarmee veranderen ze het milieu zo dat grassen, kruiden en struiken zich kunnen vestigen — die de pioniers daarna verdringen.
Resultaat: Het is primaire successie, want de ontwikkeling begint op een kaal substraat zonder bodem. Daardoor verloopt ze traag: er moet eerst een bodem worden gevormd. De pioniers spelen de sleutelrol — ze koloniseren de kale plaat, vormen humus en maken het milieu geschikt voor de soorten die hen later opvolgen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op een verlaten akker groeit het eerste jaar vooral onkruid (eenjarige kruiden), na enkele jaren staan er struiken, en na tientallen jaren is er een jong bos ontstaan. (a) Leg uit of dit primaire of secundaire successie is. (b) Verklaar waarom de struiken pas ná de kruiden verschijnen. (c) Geef aan wat er met de biodiversiteit gebeurt tijdens deze ontwikkeling.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Logistische groei (S-curve)
Predator-prooi-schommelingen
Bekijk de logistische groeicurve in de figuur. (a) Lees de draagkracht af. (b) Bij welke populatiegrootte groeit de populatie ongeveer het snelst? (c) Leg uit waarom de groei daarna steeds verder afneemt.
De draagkracht is de waarde waar de curve naartoe afvlakt — de horizontale stippellijn. In de figuur loopt de curve asymptotisch naar 1000, dus individuen.
De groei is het snelst waar de curve het steilst is. Bij een logistische curve ligt dat in het midden, ongeveer bij de helft van de draagkracht: individuen.
Boven de helft van de draagkracht neemt de dichtheid toe, waardoor dichtheidsafhankelijke factoren sterker gaan werken: meer concurrentie om voedsel en ruimte, snellere verspreiding van ziekten en meer predatie. Het geboortecijfer daalt en het sterftecijfer stijgt, dus de netto groei wordt steeds kleiner.
Vlak bij is het geboortecijfer ongeveer gelijk aan het sterftecijfer, zodat de netto groei naar nul gaat en het aantal individuen rond de draagkracht blijft schommelen.
Resultaat: De draagkracht is ongeveer individuen. De populatie groeit het snelst rond individuen, in het steilste deel van de S. Daarna remt de groei af doordat de hulpbronnen schaarser worden en dichtheidsafhankelijke factoren het geboortecijfer drukken en het sterftecijfer opdrijven, tot de populatie bij vrijwel niet meer groeit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een populatie konijnen wordt uitgezet in een nieuw, leeg natuurgebied. (a) Beschrijf hoe het aantal konijnen zich in de tijd zal ontwikkelen en geef in woorden de vorm van de grafiek. (b) Leg uit wat de draagkracht is en waardoor die in dit gebied wordt bepaald. (c) Verklaar met dichtheidsafhankelijke factoren waarom de groei uiteindelijk afvlakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Verstoring en herstel (veerkracht)
De figuur toont het aantal individuen van een diersoort over enkele jaren. Eerst schommelt het aantal rond 500, dan daalt het scherp, en daarna stijgt het weer richting 500. (a) Wat stelt het vlakke begin voor? (b) Wat laat de scherpe daling zien? (c) Wat zegt het herstel over het ecosysteem, en wat zou er gebeuren als de verstoring veel groter was geweest?
Het aantal schommelt rond 500, de draagkracht . Dit vlakke, schommelende begin stelt het dynamisch evenwicht voor: door negatieve terugkoppeling blijft het aantal rond het gemiddelde.
De plotselinge, sterke daling is het gevolg van een verstoring — bijvoorbeeld een ziekte, een strenge winter of een menselijke ingreep. Het evenwicht wordt tijdelijk verbroken en het aantal zakt ver onder de draagkracht.
Doordat de soort nu zeldzaam is, nemen de remmende, dichtheidsafhankelijke factoren af: er is per individu weer ruim voedsel en ruimte. De populatie groeit daardoor weer en keert terug naar de draagkracht. Dat terugkeren is de veerkracht van het ecosysteem.
Was de verstoring veel groter of langduriger geweest, dan had de soort lokaal kunnen uitsterven of had het systeem kunnen kantelen naar een andere toestand. Het herstel was dan uitgebleven en de draagkracht zelf had kunnen dalen.
Resultaat: Het vlakke begin is het dynamisch evenwicht rond de draagkracht . De scherpe daling toont een verstoring die het evenwicht verbreekt. Dat de populatie daarna terugkeert naar , laat de veerkracht van het ecosysteem zien — mogelijk gemaakt door negatieve terugkoppeling. Bij een veel grotere of blijvende verstoring zou dat herstel kunnen uitblijven en zou het systeem naar een andere, armere toestand kunnen kantelen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een ondiep meer met helder water en veel waterplanten loost een fabriek jarenlang voedselrijk afvalwater. Het meer slaat om naar troebel water met algenbloei en weinig waterplanten. (a) Leg uit waarom dit een verstoring van het dynamisch evenwicht is. (b) Beredeneer waarom het meer niet vanzelf naar de oude toestand terugkeert. (c) Leg uit welke rol biodiversiteit speelt bij de veerkracht van een ecosysteem.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad