Loading
Loading
Voortplanting zorgt ervoor dat een soort blijft voortbestaan, en kan ongeslachtelijk verlopen (één ouder, identieke nakomelingen) of geslachtelijk (twee ouders, met erfelijke variatie). Dit onderwerp bouwt de menselijke geslachtelijke voortplanting stap voor stap op: de geslachtsorganen en de haploïde gameten, de menstruatiecyclus met haar vier hormonen en terugkoppeling, en ten slotte de bevruchting, de innesteling en het begin van een nieuw leven. Je leert de processen niet alleen beschrijven, maar ook hormoongrafieken aflezen en met terugkoppeling redeneren.
4Onderdelenca. 29min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Zorg dat je het verschil tussen ongeslachtelijke en geslachtelijke voortplanting kunt uitleggen, de geslachtsorganen en de gameten kunt benoemen met hun functie, en de hoofdlijn van de menstruatiecyclus kent: welk hormoon doet wat, en wanneer vindt de eisprong plaats.
verhoogd niveau
Redeneer zelfstandig met de hormonale terugkoppeling: voorspel het effect van een stijgend of dalend hormoon, lees een hormoongrafiek af en verklaar met negatieve én positieve terugkoppeling zowel de eisprong als de werking van de anticonceptiepil.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Geslachtelijk vs ongeslachtelijk
Een kweker vermeerdert een sierplant uitsluitend via stekken, dus ongeslachtelijk. Alle planten zijn klonen van één moederplant. Er verschijnt een nieuwe schimmelziekte. Leg met behulp van het begrip variatie uit waarom mogelijk de hele collectie verloren gaat, en waarom planten uit zaad (geslachtelijk) er beter af zouden zijn.
Stekken ontstaan door mitose uit één moederplant. Mitose maakt erfelijk identieke cellen, dus alle gestekte planten hebben exact hetzelfde DNA: het zijn klonen. Er is geen enkele erfelijke variatie tussen de planten.
Omdat alle planten hetzelfde DNA hebben, reageren ze ook allemaal hetzelfde op de schimmel. Is de moederplant (en dus elke kloon) gevoelig voor deze schimmel, dan is élke plant gevoelig en kan de hele collectie tegelijk bezwijken.
Planten uit zaad ontstaan via meiose en bevruchting, met twee ouders. Daardoor verschillen ze erfelijk van elkaar: er is variatie. De kans is dan groter dat sommige planten toevallig erfelijk ongevoelig (resistent) zijn voor de schimmel; die overleven, zodat niet de hele collectie in één keer verloren gaat.
Resultaat: Resultaat: een verzameling klonen is kwetsbaar omdat alle individuen erfelijk identiek zijn — één zwakte geldt voor allemaal. Geslachtelijke voortplanting levert variatie op, waardoor een populatie als geheel beter bestand is tegen nieuwe ziekten en veranderingen. Dat is precies het overlevingsvoordeel van variatie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een tuinder vermeerdert zijn aardappelplanten al jaren ongeslachtelijk via knollen, zodat alle planten op het veld erfelijk identiek zijn. Leg uit welk voordeel deze methode heeft, en beredeneer waarom het hele veld tegelijk verloren kan gaan als er een nieuwe aardappelziekte opduikt. Geef ook aan hoe geslachtelijke voortplanting (telen uit zaad) dit risico zou verkleinen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Zaadcel vs eicel
Een lichaamscel van de mens bevat 46 chromosomen. Bepaal hoeveel chromosomen een zaadcel, een eicel en de zygote bevatten, en leg met de meiose en de bevruchting uit waarom dit zo moet zijn.
Een gewone lichaamscel is diploïd () en bevat hier 46 chromosomen, in 23 paren. Dit is het uitgangspunt; de gameten worden hiervan afgeleid.
Zaadcellen en eicellen worden gemaakt door de meiose, die het aantal chromosomen halveert. Een zaadcel en een eicel zijn daardoor haploïd () en bevatten elk 23 chromosomen — de helft van 46.
Bij de bevruchting versmelten een zaadcel (23 chromosomen) en een eicel (23 chromosomen). De zygote krijgt dus chromosomen en is weer diploïd ().
Zou de meiose niet halveren, dan kreeg de zygote chromosomen, en zou het aantal elke generatie verdubbelen. Door eerst te halveren (meiose) en dan te verdubbelen (bevruchting) blijft het chromosoomaantal constant op 46.
Resultaat: Resultaat: een zaadcel heeft 23 chromosomen, een eicel 23 en de zygote 46. Gameten zijn haploïd () en de zygote is diploïd (); de meiose halveert en de bevruchting herstelt het aantal, zodat elke generatie weer 46 chromosomen heeft.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noem voor de vrouw de weg die een eicel aflegt vanaf het moment dat hij rijpt tot aan een eventuele innesteling, en geef bij elk orgaan kort de functie. Leg daarna uit waarom een zaadcel een staart en veel mitochondriën heeft, terwijl een eicel juist veel reservevoedsel bevat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Hormonale regulatie van de cyclus
Hormonen tijdens de menstruatiecyclus
In de grafiek hiernaast zie je de hormoonspiegels tijdens een cyclus van 28 dagen. Rond dag 14 vertoont LH een scherpe piek en is oestrogeen op zijn hoogst; rond dag 21 is progesteron het hoogst. Verklaar wat er rond dag 14 en rond dag 21 in de eierstok en de baarmoeder gebeurt, en voorspel wat er rond dag 28 gebeurt als de eicel niet wordt bevrucht.
In de follikelfase is onder invloed van FSH een follikel gerijpt, die steeds meer oestrogeen maakt; daardoor is oestrogeen rond dag 14 op zijn hoogst en is het baarmoederslijmvlies opgebouwd. Die hoge oestrogeenspiegel lokt via positieve terugkoppeling de scherpe LH-piek uit.
De LH-piek veroorzaakt de eisprong (ovulatie): de rijpe eicel komt vrij uit de eierstok. De leeggekomen follikel vormt zich daarna om tot het gele lichaam.
Het gele lichaam maakt veel progesteron, dat rond dag 21 een piek bereikt. Progesteron houdt het dikke, goed doorbloede baarmoederslijmvlies in stand, zodat een bevruchte eicel zich zou kunnen innestelen. De hoge progesteron- en oestrogeenspiegels remmen tegelijk via negatieve terugkoppeling FSH en LH, zodat er geen nieuwe follikel rijpt.
Wordt de eicel niet bevrucht, dan sterft het gele lichaam af. Daardoor dalen progesteron en oestrogeen sterk. Zonder deze hormonen wordt het slijmvlies niet langer in stand gehouden en breekt het af: de menstruatie begint (dag 1 van een nieuwe cyclus). Doordat de rem wegvalt, stijgt FSH weer en kan een volgende follikel gaan rijpen.
Resultaat: Resultaat: rond dag 14 zorgt de oestrogeenpiek voor de LH-piek en die voor de eisprong; rond dag 21 houdt progesteron uit het gele lichaam het slijmvlies in stand. Blijft de bevruchting uit, dan daalt rond dag 28 het progesteron, breekt het slijmvlies af (menstruatie) en begint door de stijgende FSH een nieuwe cyclus.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf in de juiste volgorde wat er tijdens één menstruatiecyclus in de eierstok en in de baarmoeder gebeurt, en koppel aan elke stap het hormoon dat hem stuurt. Leg daarbij apart uit waarom er normaal gesproken maar één eicel per cyclus vrijkomt (gebruik het begrip negatieve terugkoppeling).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Van bevruchting tot innesteling
De anticonceptiepil bevat oestrogeen- en progesteronachtige stoffen. Leg met de hormonale terugkoppeling uit waarom een vrouw die de pil gebruikt geen eisprong heeft en dus niet zwanger kan worden.
Door dagelijks oestrogeen- en progesteronachtige stoffen in te nemen, blijft de concentratie van deze hormonen in het bloed voortdurend hoog — alsof het lichaam steeds in de tweede helft van de cyclus zit.
Een hoge spiegel oestrogeen en progesteron remt via negatieve terugkoppeling de hypofyse. Daardoor geeft de hypofyse weinig FSH en LH af.
Zonder voldoende FSH rijpt er geen follikel met een eicel. En zonder een LH-piek is er geen prikkel voor de eisprong.
Komt er geen eicel vrij, dan kan een zaadcel ook geen eicel bevruchten. Zo voorkomt de pil een zwangerschap, juist door gebruik te maken van dezelfde terugkoppeling die in een normale cyclus maar één eicel laat rijpen.
Resultaat: Resultaat: de extra hormonen in de pil houden FSH en LH laag (negatieve terugkoppeling), zodat er geen follikel rijpt en geen eisprong plaatsvindt. Geen eicel betekent geen bevruchting — dát is het werkingsprincipe van de pil.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit welke weg een bevruchte eicel aflegt van de eileider tot aan de innesteling, en benoem wat er bij de bevruchting en bij de innesteling precies gebeurt. Verklaar daarna met de hormonen waarom de menstruatie uitblijft zodra een vrouw zwanger is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad