Loading
Loading
Evolutie speelt zich niet af bij het individu maar bij de populatie, en dit onderwerp brengt de losse evolutiebegrippen samen tot één verhaal over hoe nieuwe soorten ontstaan. Je leert wat een soort en een genenpool zijn en dat evolutie neerkomt op een verandering van allelfrequenties over generaties, welke factoren — variatie, natuurlijke selectie, genetische drift en migratie — die frequenties veranderen, hoe reproductieve isolatie een populatie in tweeën splitst tot allopatrische of sympatrische soortvorming, hoe adaptieve radiatie uit één voorouder vele soorten laat voortkomen, en met welke bewijzen biologen de evolutietheorie onderbouwen.
5Onderdelenca. 33min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
Zorg dat je een soort, een populatie en de genenpool kunt omschrijven, dat je evolutie als verandering van allelfrequenties herkent, en dat je de vier evolutiefactoren (mutatie/recombinatie, selectie, drift, migratie) kunt noemen en het verschil tussen selectie en toeval kunt uitleggen.
verhoogd niveau
Beredeneer in onbekende contexten hoe reproductieve isolatie tot soortvorming leidt, onderscheid allopatrische van sympatrische soortvorming, leg uit waarom genetische drift vooral in kleine populaties telt, en interpreteer een cladogram of een grafiek van allelfrequenties over generaties.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Van soort tot allel
Allelfrequenties in een genenpool
In een afgelegen populatie blijven de allelfrequenties voor een bepaald gen al vele generaties vrijwel constant. Leg met het Hardy-Weinberg-idee uit wat dit zegt over het optreden van evolutie voor dat gen, en noem twee voorwaarden waaraan zo'n populatie dan ongeveer voldoet.
Evolutie is per definitie een verandering van allelfrequenties over de generaties. Blijven die frequenties voor dit gen constant, dan vindt er voor dat gen dus geen (merkbare) evolutie plaats: de genenpool blijft voor dat gen gelijk.
Volgens het Hardy-Weinberg-idee blijven de allelfrequenties alleen constant als er geen verstorende (evolutionaire) factoren werken. De constante frequenties wijzen er dus op dat selectie, mutatie, migratie en toeval voor dit gen nauwelijks een rol spelen.
Bij zo'n evenwicht hoort onder meer: de populatie is groot genoeg zodat toeval (genetische drift) verwaarloosbaar is, en er is geen of nauwelijks uitwisseling van individuen met andere populaties (geen migratie). Daarnaast werken er geen noemenswaardige selectiedruk en geen nieuwe mutaties op dit gen.
Resultaat: Resultaat: de constante allelfrequenties betekenen dat er voor dit gen geen evolutie optreedt. Volgens het Hardy-Weinberg-idee voldoet de populatie dan ongeveer aan de voorwaarden van het evenwicht, zoals een grote populatie (weinig drift) en weinig migratie, zonder noemenswaardige selectie of mutatie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een afgelegen populatie blijven de allelfrequenties voor een bepaald gen al vele generaties vrijwel constant. Leg met het Hardy-Weinberg-idee uit wat dit zegt over het optreden van evolutie voor dat gen, en noem twee voorwaarden waaraan zo'n populatie dan ongeveer voldoet.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Allelfrequentie onder selectie
De evolutiefactoren
Door een bosbrand overleeft van een grote keverpopulatie nog maar een klein groepje, dat toevallig een afwijkende verhouding van de kleurallelen heeft. Leg uit welke evolutiefactor hier vooral werkt en waarom het effect in dit kleine groepje zo groot is.
De kevers overleven de brand niet door een kleur die hen beter beschermt, maar puur door waar ze zich toevallig bevonden. De overlevenden zijn dus een willekeurige steekproef uit de oorspronkelijke genenpool — er is geen selectie op kleur, maar toeval.
Een toevallige verandering van de allelfrequenties die niets met fitness te maken heeft, is genetische drift. Doordat een ramp toevallig een groot deel van de populatie doodt, is dit specifiek het flessenhals-effect.
In het overgebleven groepje zitten maar weinig individuen. In zo'n kleine populatie middelt het toeval niet uit: de toevallige verhouding van de overlevenden bepaalt nu vrijwel volledig de nieuwe genenpool, zodat de allelfrequenties sterk kunnen afwijken van die van de oorspronkelijke, grote populatie.
Resultaat: Resultaat: hier werkt vooral genetische drift, in de vorm van een flessenhals-effect. Omdat de overlevende populatie zo klein is, hebben de toevallige allelfrequenties van de overlevenden een groot effect en kan de genenpool sterk veranderen, los van enige aanpassing.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Door een bosbrand overleeft van een grote keverpopulatie nog maar een klein groepje, dat toevallig een afwijkende verhouding van de kleurallelen heeft. Leg uit welke evolutiefactor hier vooral werkt en waarom het effect in dit kleine groepje zo groot is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het soortvormingsproces
Isolatiemechanismen
Twee populaties van een vogelsoort raken door een nieuwe brede rivier van elkaar gescheiden. Na heel veel generaties blijken ze, weer bij elkaar gebracht, zich niet meer met elkaar voort te planten. Beschrijf met de begrippen isolatie, divergentie en reproductieve isolatie hoe hier een nieuwe soort is ontstaan.
De brede rivier vormt een barrière die de vogels niet kunnen oversteken. Daardoor raken de twee populaties van elkaar geïsoleerd en stopt de uitwisseling van allelen (de genstroom). Vanaf nu heeft elke populatie haar eigen, gescheiden genenpool.
Aan weerszijden van de rivier kunnen verschillende mutaties optreden en kan de selectie verschillend werken, terwijl ook toeval (drift) meespeelt. Over heel veel generaties veranderen de twee genenpools elk in hun eigen richting: ze divergeren steeds verder.
Doordat de verschillen zo groot zijn geworden, lukt de onderlinge voortplanting niet meer wanneer de populaties weer bij elkaar komen. Er is dan een blijvende reproductieve isolatie ontstaan: het zijn twee aparte soorten geworden.
Resultaat: Resultaat: de rivier zorgde voor isolatie (geen genstroom), waarna de gescheiden genenpools door selectie en drift divergeerden. Toen het verschil groot genoeg was, ontstond een blijvende reproductieve isolatie, zodat de twee populaties nu verschillende soorten zijn — soortvorming.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Twee populaties van een vogelsoort raken door een nieuwe brede rivier van elkaar gescheiden. Na heel veel generaties blijken ze, weer bij elkaar gebracht, zich niet meer met elkaar voort te planten. Beschrijf met de begrippen isolatie, divergentie en reproductieve isolatie hoe hier een nieuwe soort is ontstaan.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Adaptieve radiatie van de vinken
Op een jonge, nog weinig bevolkte eilandengroep stammen vijf vogelsoorten met sterk verschillende snavels alle af van één vooroudersoort die er ooit aankwam. Leg uit hoe hier adaptieve radiatie heeft plaatsgevonden en welke rol natuurlijke selectie daarbij speelde.
De eilandengroep was jong en nog weinig bevolkt, zodat er allerlei manieren van leven (niches) nog onbezet waren: er waren zaden, insecten, cactussen en vruchten te eten, maar nog geen vogels die zich daarop hadden gespecialiseerd.
Vanuit de vooroudersoort raakten groepen vogels (onder meer op aparte eilanden) van elkaar geïsoleerd. In elke groep werkte de natuurlijke selectie op de aanwezige variatie in snavelvorm: waar vooral harde zaden te eten waren, hadden vogels met een zware snavel de hoogste fitness; waar insecten de voedselbron waren, juist die met een fijne snavel.
Doordat in elke groep een andere snavelvorm werd bevoordeeld, divergeerden de genenpools en ontstond uiteindelijk reproductieve isolatie. Zo waaierde één voorouder in korte tijd uit in vijf soorten, elk aangepast aan een eigen voedselbron — dat is adaptieve radiatie.
Resultaat: Resultaat: doordat één vooroudersoort een gebied met veel lege niches bereikte, raakten groepen geïsoleerd en bevoordeelde de natuurlijke selectie in elke groep een andere snavelvorm. Die divergentie leidde tot vijf afzonderlijke, elk gespecialiseerde soorten — een adaptieve radiatie, gedreven door selectie op de beschikbare niches.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op een jonge, nog weinig bevolkte eilandengroep stammen vijf vogelsoorten met sterk verschillende snavels alle af van één vooroudersoort die er ooit aankwam. Leg uit hoe hier adaptieve radiatie heeft plaatsgevonden en welke rol natuurlijke selectie daarbij speelde.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Bewijzen voor evolutie
De voorpoot van een hond, de vleugel van een vleermuis en de arm van een mens hebben verschillende functies maar zijn volgens hetzelfde botpatroon opgebouwd. Leg uit of dit homologe of analoge organen zijn en wat het als bewijs voor evolutie aantoont.
Beslissend voor homoloog of analoog is de bouw én de afkomst, niet de functie. De drie organen hebben verschillende functies (lopen, vliegen, grijpen), maar zijn volgens hetzelfde grondplan van botten opgebouwd.
Organen met hetzelfde grondplan maar een verschillende functie zijn homologe organen. Dat geldt hier: ondanks de uiteenlopende functies komt het onderliggende botpatroon overeen.
Dat verschillende soorten hetzelfde bouwplan delen, is goed te verklaren als zij dat plan van een gemeenschappelijke voorouder hebben geërfd. Homologe organen wijzen dus op gemeenschappelijke afstamming en zijn daarmee een bewijs voor evolutie.
Resultaat: Resultaat: het zijn homologe organen — zelfde grondplan, andere functie. Ze tonen aan dat hond, vleermuis en mens een gemeenschappelijke voorouder hebben van wie ze het bouwplan van de voorste ledematen hebben geërfd, en ondersteunen zo de evolutietheorie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De voorpoot van een hond, de vleugel van een vleermuis en de arm van een mens hebben verschillende functies maar zijn volgens hetzelfde botpatroon opgebouwd. Leg uit of dit homologe of analoge organen zijn en wat het als bewijs voor evolutie aantoont.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad